ECLI:NL:PHR:2007:BA2511
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid curator tot inning stil verpande vorderingen bij faillissement
In deze zaak stond de bevoegdheid van een curator centraal om stil verpande vorderingen te innen ten behoeve van de failliete boedel zonder voorafgaande kennisgeving aan de pandhouder, hier een bank. De bank had aan een vennootschap diverse kredieten verstrekt en stil pandrecht op vorderingen verkregen. Na faillissement van de vennootschap begon de curator met inning van deze vorderingen zonder de bank vooraf te informeren.
De bank stelde dat de curator eerst overleg had moeten plegen en een redelijke termijn had moeten stellen om de bank haar rechten te laten uitoefenen, op grond van artikel 58 lid 1 Faillissementswet Pro en een zorgplicht. Zowel rechtbank als hof verwierpen dit standpunt en oordeelden dat de curator bevoegd was tot inning zonder overleg, mits geen onrechtmatig handelen en redelijke termijn in acht werd genomen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de curator primair de belangen van de faillissementscrediteuren behartigt en niet verplicht is om de pandhouder actief in de gelegenheid te stellen zijn rechten te doen gelden. Wel is overleg wenselijk om verwarring bij debiteuren te voorkomen. De curator moet zich onthouden van onmiddellijke incasso direct na faillissement, tenzij dringende redenen bestaan. De bank als pandhouder is verantwoordelijk voor het bewaken van haar rechten.
De Hoge Raad verwierp daarmee het cassatieberoep van de bank en bevestigde dat de curator niet onrechtmatig handelde door zonder voorafgaand overleg de stil verpande vorderingen te innen. De zaak onderstreept de balans tussen belangen van curator en pandhouder bij faillissement en het belang van redelijke termijnen en overleg.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de curator stil verpande vorderingen mag innen zonder voorafgaand overleg met de pandhouder, mits redelijke termijn wordt gehanteerd en geen onrechtmatig handelen plaatsvindt.