ECLI:NL:PHR:2007:BA3535
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing geldigheidsduur voorlopige machtiging in Wet Bopz
In deze zaak staat de uitleg van artikel 30 van Pro de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) centraal, met name de betekenis van de termijn 'drie weken na haar dagtekening' voor de geldigheidsduur van een voorlopige machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling.
De feiten betreffen een patiënt die op 10 december 2006 inbewaring werd gesteld en op 12 december 2006 een voorlopige machtiging van drie weken werd verleend. De officier van justitie diende op 2 januari 2007 een verzoek in voor een voorlopige machtiging voor zes maanden. Betrokkene stelde dat dit verzoek te laat was ingediend, waardoor de dagen tussen 1 en 16 januari 2007 als vrijwillig verblijf moesten worden beschouwd en in mindering gebracht op de termijn van zes maanden.
De Hoge Raad bespreekt verschillende interpretaties van de termijn en concludeert dat de geldigheidsduur de dag van dagtekening omvat plus drie volle weken, zodat de machtiging geldig was tot en met 2 januari 2007. De rechtbank oordeelde daarom terecht dat het verzoek tijdig was ingediend. Tevens wordt besproken dat bij te late indiening de patiënt als vrijwillig opgenomen wordt beschouwd, waardoor geen aftrek van dagen op de voorlopige machtiging noodzakelijk is.
De conclusie is dat het beroep wordt verworpen en de voorlopige machtiging voor de volle duur van zes maanden na dagtekening terecht is verleend.
Uitkomst: Het beroep wordt verworpen en de voorlopige machtiging is terecht voor de volle duur van zes maanden verleend.