Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
twee onderdelenbestaat. Het middel is gericht tegen rov. 2.10, waarin de rechtbank het volgende heeft overwogen:
tijdig [1] namelijk vóór de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verviel, ingediend; de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel liep tot en met 18 juni 2020. De rechter heeft vervolgens eveneens
tijdig [2] op het verzoek een zorgmachtiging te verlenen, beslist: de bestreden beschikking is gegeven op 30 juni 2020, dus binnen de termijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift van de officier van justitie (art. 6:2 lid 1 onder Pro b Wvggz). Voor de periode tussen de datum van afloop van de voortzetting van de crisismaatregel (18 juni 2020) en de beschikking waarbij de zorgmachtiging is verleend (30 juni 2020) heeft de Wvggz in dit geval (waarin een verzoekschrift voor verlening van een zorgmachtiging – tijdig – is ingediend) bepaald dat de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel doorloopt en pas vervalt op het moment dat de rechter op het verzoek om een zorgmachtiging te verlenen heeft beslist, danwel de termijn van drie weken om te beslissen is overschreden (art. 7:10 onder Pro a Wvggz). [3] De klacht dat de zorgmachtiging niet aansluit op de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, slaagt dus niet.
overschrijdingvan de termijn om een verzoek tot het verlenen van een machtiging in te dienen, de rechter de termijnoverschrijding in mindering dient te brengen op de geldigheidsduur van de aansluitende machtiging. Over ‘aftrek’ van dagen onder de Wvggz heeft de Hoge Raad nog geen uitspraak gedaan. Dijkers [6] wijst erop dat uit onder de Wet Bopz door de Hoge Raad gevormde rechtspraak voortvloeide dat in gevallen van termijnoverschrijding door het openbaar ministerie en/of de rechtbank, waardoor een beslissing houdende verlening van een rechterlijke machtiging later afkwam dan bij inachtneming van het wettelijke systeem het geval zou zijn geweest, de geldigheidsduur van de opvolgende machtiging evenredig kon (bij een verzoek voor expiratie) dan wel moest (bij een verzoek na expiratie) worden bekort door de ‘aftrek’ van dagen ten opzichte van de door de wet anders toegestane maximumduur. Onder de Wet Bopz vond ‘aftrek’ van dagen dus plaats in gevallen van termijnoverschrijding (aan de zijde van het openbaar ministerie en/of de rechtbank). Nu in deze zaak geen sprake is van overschrijding van een termijn (zoals in 2.4 uiteengezet), en de Hoge Raad voor de Wzd de rechtspraak gewezen onder de Wet Bopz (oud) reeds van toepassing heeft verklaard, zie ik in dit geval geen aanleiding om te komen tot ‘aftrek’ van dagen. [7] Voor deze opvatting vind ik mede steun in de wetsgeschiedenis, waarin is bepaald dat de procedure voor de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel (de artikelen 7:7 tot en met 7:10 Wvggz) overeenkomstig het bepaalde in de Wet Bopz (oud) is voor de procedure voor een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. [8] De rechtspraak over ‘aftrek’ van dagen, gewezen onder de Wet Bopz (oud), kan daarom naar ik meen ook in dit geval haar gelding behouden. [9]
tweede onderdeelklaagt dat, voor zover ervan uit zou worden gegaan dat art. 7:10 Wvggz Pro inhoudt dat door het verzoek van de Officier van Justitie de vrijheidsbeneming via de voortzetting van de crisismaatregel automatisch verlengd kan worden met maximaal drie weken, waarna een zorgmachtiging verleend kan worden voor de duur van zes maanden, deze bepaling in strijd zou zijn met art. 5 lid 1 aanhef Pro en onder e EVRM, art. 5 lid 2 EVRM Pro in verbinding met art. 5 lid 4 en Pro art. 6 lid 1 EVRM Pro, nu betrokkene niet gehoord is over de verlenging van de vrijheidsbeneming en de rechtmatigheid daarvan niet ter discussie heeft kunnen stellen [15] .