ECLI:NL:PHR:2007:BA5851
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overzichtarrest Hoge Raad over bewijsoverweging bij hennepplantagezaak
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verzoeker veroordeeld wegens het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3, onder C, van de Opiumwet, namelijk het voorhanden hebben van een hennepplantage in een loods die verzoeker gebruikte en waarin een aanzienlijke hoeveelheid hennep werd aangetroffen.
Verzoeker stelde zich op het standpunt dat hij niet op de hoogte was van de hennepplantage en dat een huurder, een zekere betrokkene, verantwoordelijk was. Het hof hechtte hieraan geen geloof, onder meer omdat de huurovereenkomst pas later werd overgelegd, de huurprijs wisselde, en betrokkene geen betrokkenheid kon worden aangetoond. Ook achtte het hof het onwaarschijnlijk dat verzoeker niets gemerkt zou hebben van de verbouwingswerkzaamheden en de financiële gevolgen.
Het cassatieberoep richtte zich op de motivering van de bewezenverklaring en de strafmotivering. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende duidelijk had gemaakt aan welke feiten en omstandigheden betekenis was toegekend en dat deze waren ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ook was de strafmotivering voldoende, mede gelet op de eerdere veroordelingen van verzoeker en het feit dat geen vrijheidsbenemende straf was opgelegd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de taakstraf van 180 uur, vervangbaar door 90 dagen hechtenis.
Uitkomst: Verzoeker is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur wegens het opzettelijk voorhanden hebben van een hennepplantage.