ECLI:NL:PHR:2007:BA6236
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing schadevergoeding in natura wegens wanprestatie bank bij liquidatie effectenportefeuille
In deze schadestaatprocedure vordert eiser schadevergoeding van de bank wegens wanprestatie: de bank heeft, ondanks een afspraak op 6 januari 1988 om de verkoop van aandelen te staken, toch doorverkocht tot 15 januari 1988. De rechtbank en het hof hebben vastgesteld dat sprake is van wanprestatie en dat eiser schade heeft geleden.
Eiser vorderde primair schadevergoeding in natura, namelijk overdracht van de aandelen die de bank verkocht had. Het hof wees deze vordering af omdat toewijzing van schadevergoeding in natura na bijna twintig jaar onredelijk zou zijn voor de bank. Het hof overwoog dat schadevergoeding in geld de hoofdregel is en dat toewijzing in natura een discretionaire bevoegdheid van de rechter is, begrensd door redelijkheid en billijkheid.
Verder oordeelde het hof dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij over voldoende reguliere liquiditeiten beschikte om de lening te dekken, en dat ook een alternatieve bank waarschijnlijk tot liquidatie van de portefeuille zou zijn overgegaan. De hoogte van de schade werd vastgesteld aan de hand van historische koersen en rentelasten, waarbij eiser onvoldoende bewijs leverde om de berekeningen aan te vechten.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat schadevergoeding in natura niet toewijsbaar is in deze omstandigheden, en dat de financiële positie van eiser en de omvang van de schade door het hof op juiste wijze zijn beoordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt het arrest dat schadevergoeding in natura wordt afgewezen en schadevergoeding in geld wordt toegewezen.