ECLI:NL:RBNNE:2026:360

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/18/251396 / KG ZA 26-7
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:171 BWArt. 6:96 lid 2 sub b BWArt. 6:103 BWArt. 7.15 BBL
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gemeente aansprakelijk voor schade aan woningen door onzorgvuldige kademuurvervanging

Eisers zijn eigenaar van een pand dat is gesplitst in twee woningen nabij een kademuur die door de gemeente is vernieuwd. Tijdens deze werkzaamheden is schade aan de woningen ontstaan. Eisers stellen dat de gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld en vorderen een voorschot op schadevergoeding, funderingsonderzoek, stabiliserende maatregelen en inzage in relevante stukken.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de gemeente vooraf op de hoogte was van de kwetsbaarheid van de woningen en de risico's van de werkzaamheden, maar onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht. Zo zijn werkzaamheden gestart zonder alle vereiste vergunningen en zonder dekking van de CAR-verzekering. Ook is onvoldoende gehandhaafd op de geadviseerde trillingsvrije werkwijze, wat heeft geleid tot schade.

De rechter acht het aannemelijk dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeelt haar tot betaling van een voorschot van €45.015,00, het verrichten van funderingsonderzoek en het treffen van stabiliserende maatregelen. Tevens wordt de gemeente veroordeeld tot het verstrekken van diverse stukken. De vordering tot het horen van eisers in de bezwaarprocedure wordt afgewezen. De gemeente wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De gemeente wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op schadevergoeding, het verrichten van funderingsonderzoek en stabiliserende maatregelen, en het verstrekken van gevraagde stukken.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/251396 / KG ZA 26-7
Vonnis in kort geding van 11 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

2.
[eiser sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers, hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. W.M. de Boer te Groningen,
tegen
GEMEENTE HET HOGELAND,
kantoorhoudende te Winsum, gemeente Het Hogeland,
gedaagde, hierna te noemen: de Gemeente,
advocaten: mr. J.S. Overes te Arnhem en mr. B.J.W. Walraven te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 43;
- de akte overlegging producties 44 t/m 54 van [eisers] ;
- de akte overlegging productie 55 van [eisers] ;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 11;
- de akte overlegging productie 56 van [eisers] .
1.2.
Op 27 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen:
- [eiser sub 1] in persoon;
- [eiser sub 2] in persoon;
- mr. W.M. de Boer, advocaat van [eisers] ;
- [juridisch adviseur] , werkzaam als juridisch adviseur bij de Gemeente;
- [projectleider] , werkzaam als projectleider bij de Gemeente;
- mr. J.S. Overes, advocaat van de Gemeente;
- mr. B.J.W. Walraven, advocaat van de Gemeente.
1.3.
Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling. De spreekaantekeningen van mr. De Boer en mr. Overes zijn aan het dossier toegevoegd.
1.4.
Tot slot is vonnis bepaald.
2. De zaak in het kort
2.1.
[eisers] is eigenaar van een in twee woningen gesplitst pand gelegen aan [adres] en [adres] . De woningen staan langs het [adres] , en tussen het [adres] en de woningen van [eisers] loopt een kademuur op circa 4,5 meter van de woningen. Medio 2024 heeft de Gemeente opdracht gegeven aan [bouwbedrijf] B.V. (hierna: [bouwbedrijf] ) om deze kademuur te vernieuwen, wat inhield dat de oude kademuur moest worden gesloopt en verwijderd, waarna een nieuwe kademuur is gebouwd.
2.2.
In de kern draait het geschil tussen partijen om de vraag of de Gemeente aansprakelijk is voor schade die aan de woningen van [eisers] is opgetreden tijdens de uitvoering van deze werkzaamheden, en de gevolgschade die [eisers] daardoor stelt te hebben geleden. Het verwijt dat [eisers] de Gemeente maakt is dat de Gemeente voorafgaand en tijdens de werkzaamheden in zodanige mate niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van haar mocht worden verwacht, dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro.
2.3.
In dit kort geding vordert [eisers] van de Gemeente een voorschot op de schadevergoeding, deels in geld en deels in natura (door het verrichten van funderingsonderzoek en het treffen van stabiliserende maatregelen). Daarnaast stelt [eisers] een aantal vorderingen in die verband houden met het verkrijgen van stukken die volgens hem nodig zijn om zijn rechtspositie nader te bepalen in de bodemprocedure. De vorderingen zoals deze door [eisers] zijn ingesteld luiden als volgt:
I. De Gemeente te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis € 99.999,00 te betalen bij wijze van voorschot op een schadevergoeding;
II. De Gemeente te veroordelen tot het (laten) verrichten van een funderingsonderzoek, binnen veertien dagen na betekening van het vonnis;
III. De Gemeente te veroordelen tot het (laten) treffen van de noodzakelijke stabiliserende maatregelen, binnen veertien dagen na de bevindingen van het funderingsonderzoek;
IV. De Gemeente te veroordelen tot het overleggen van diverse stukken (in het petitum van de dagvaarding nader omschreven), binnen veertien dagen na betekening van het vonnis;
V. De Gemeente te veroordelen tot het doen of laten horen van [eisers] door de bezwaarschriftencommissie, en het nemen van een besluit op het bezwaarschrift binnen 42 dagen na betekening van het vonnis;
VI. De Gemeente te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat zij de onder nummers I t/m V genoemde hoofdveroordelingen niet nakomt;
VII. De Gemeente te veroordelen in de proceskosten.
2.4.
De Gemeente betwist dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld en dat zij aansprakelijk is. De Gemeente meent dat, als er al een partij aansprakelijk is, het meer voor de hand ligt dat de aannemer aansprakelijk wordt gesteld. De gemeente concludeert daarom dat de voorzieningenrechter de vorderingen af moet wijzen met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.
2.5.
In dit vonnis zal de voorzieningenrechter tot het oordeel komen dat het aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de (gevolg)schade. De voorzieningenrechter zal bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat de Gemeente een voorschot op de schadevergoeding moet betalen en dat de Gemeente funderingsonderzoek en stabiliserende maatregelen moet (laten) verrichten. Verder zal de voorzieningenrechter de Gemeente gelasten om afschriften van de gevraagde bescheiden te verstrekken.
2.6.
De voorzieningenrechter zal hieronder aan de hand van de stellingen van partijen uiteenzetten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

3.De beoordeling

Toetsingskader in kort geding
3.1.
In een kort geding moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De eiser moet daarbij een voldoende spoedeisend belang hebben. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. In geval van een geldvordering is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen acht moeten slaan op de vraag of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Er is schade opgetreden als gevolg van de werkzaamheden
3.2.
Hoewel door de Gemeente betwist, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende vast komen te staan dat [eisers] ten gevolge van de werkzaamheden aan de kademuur schade heeft geleden. Uit het rapport van de door hem ingeschakelde deskundige [deskundige] blijkt dat het er naar uitziet dat de grond onder de fundering is weggezakt waardoor de draagkracht van de fundering is aangetast. Dit rapport is door de Gemeente niet gemotiveerd betwist. Tussen partijen is verder niet in geschil dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden de voorgevel van de woning is gestut omdat deze naar voren kwam, dat zal niet zonder goede reden zijn gedaan. Ook in de nieuwsbrief van augustus 2024 van het bouwteam wordt vermeld dat het project vertraging heeft opgelopen omdat er schade is geconstateerd. De aanwezigheid van schade is daarmee voldoende aannemelijk.
Het is aannemelijk dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld
3.3.
De voorzieningenrechter is met de Gemeente van oordeel dat aansprakelijkheid van de Gemeente niet kan worden gebaseerd op de risicoaansprakelijkheid die een opdrachtgever draagt voor fouten van een opdrachtnemer zoals bedoeld in artikel 6:171 BW Pro. Uit de parlementaire geschiedenis en uit vaste rechtspraak blijkt immers dat deze bepaling niet van toepassing is wanneer de overheid als opdrachtgever optreedt anders dan in de uitoefening van een overheids
bedrijf. Om tot aansprakelijkheid van de Gemeente te komen zal er dus sprake moeten zijn van een eigen onrechtmatige daad door de Gemeente die tot (daarmee in causaal verband staande) schade bij [eisers] heeft geleid.
3.4.
Van een onrechtmatige daad door de Gemeente kan sprake zijn wanneer zij handelt (of nalaat) in strijd met de jegens [eisers] in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarvan is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake, omdat de Gemeente wetende van de bijzondere kwetsbaarheid van de woningen van [eisers] onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht. Het volgende is redengevend.
3.5.
Voorafgaand aan het geven van de opdracht aan [bouwbedrijf] heeft in 2020 een geotechnisch onderzoek plaatsgevonden door Royal Haskoning B.V. (hierna: Haskoning) in opdracht van de Gemeente. De bevindingen van dit onderzoek luidden, voor zover van belang als volgt:
"3.1.1 Risico voor belendingen
Aan de zuidzijde grenst het project gebied aan de brug over het [adres] . Langs het noordelijke deel van de kademuur staat een pand dat is opgebouwd uit metselwerk (groen gearceerd in Figuur 1). Gezien de grondopbouw en de verwachte leeftijd van het pand (+- 100 jaar) is het aannemelijk dat dit pand staat gefundeerd op houten palen of strokenfundering. Dit type fundering is gevoelig voor horizontale verplaatsingen. Met name het verwijderen van de oude kadeconstructie vormt hierbij een risico. Hiervoor moet van tevoren dan ook een gedetailleerd plan van aanpak worden opgesteld en dienen de belendingen in de uitvoering gemonitord te worden.
(…)
3.2
Installatie nieuwe planken
Op korte afstand van de kade staat een metselwerk pand. Het metselwerk is gevoelig voor met name laag frequente trillingen. Daarnaast vormt het aanwezige wadzandpakket in de ondergrond een risico. Wadzand is gevoelig voor verweken bij het trillend aanbrengen van damwanden en kan verdichten onder invloed van met name hoog frequente trillingen. Derhalve dienen de damwanden trillingsarm aangebracht te worden.
(…)
Met het oog op het trillingsvrij installeren en de beperkte beschikbare ruimte, ligt het gebruik van een silent piler voor de hand."
3.6.
De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat de Gemeente voorafgaand aan het geven van de opdracht aan [bouwbedrijf] op de hoogte was van de bijzondere kwetsbaarheid van het pand van [eisers] . Het advies was een gedetailleerd plan van aanpak op te stellen, en om de uitvoering te monitoren. Verder werd geadviseerd om trillingvrij te werken met een "silent piler" omdat het metselwerk gevoelig is voor laagfrequente trillingen, en hoogfrequente trillingen tot verdichting van de grond kunnen leiden.
3.7.
Vervolgens is [bouwbedrijf] als aannemer gecontracteerd en is men in de vorm van een bouwteam (waarin [bouwbedrijf] en de Gemeente deelnamen) samen en vanuit gezamenlijke verantwoordelijkheid [1] tot ontwerp en uitvoering van de werkzaamheden gekomen. In het Plan van Aanpak dat door [bouwbedrijf] is opgesteld zijn de adviezen van Haskoning overgenomen. Tijdens de uitvoering waren eigen medewerkers van de Gemeente onderdeel van het bouwteam: door de Gemeente was een projectleider aangesteld en een medewerker die belast was met het technische inhoudelijke deel en de kwaliteit tijdens de uitvoering [2] .
3.8.
Volgens [eisers] zijn er voorafgaand aan de start van de werkzaamheden twee dingen aan de zijde van de Gemeente verkeerd gegaan: niet alle vereiste vergunningen waren aangevraagd en verleend, en men is met de werkzaamheden begonnen zonder dekking van de CAR-verzekering. Verder is er volgens [eisers] tijdens de uitvoering onvoldoende gehandhaafd op een trillingsvrije uitvoering toen bleek dat de door Haskoning geadviseerde maatregelen niet werden opgevolgd, terwijl de Gemeente bekend was met het risico dat dat met zich meebracht op schade aan de woningen van [eisers] .
3.9.
Ten aanzien van de vergunningen heeft [eisers] gesteld en onderbouwd dat de Gemeente, op een vergunning van het Waterschap na, diverse vereiste vergunningen niet heeft aangevraagd zoals een sloopvergunning voor de oude kademuur en een bouwvergunning voor de bouw van de nieuwe kademuur. Dit is door de Gemeente niet gemotiveerd betwist. Hoewel aanvankelijk door de Gemeente is betwist dat zij een vergunning nodig had omdat zij meende dat het slechts om "groot onderhoud" ging, hebben de aanwezigen namens de Gemeente ter zitting ontwijkende antwoorden gegeven op vragen hierover van de voorzieningenrechter: de juridisch adviseur van de gemeente gaf aan "dat het zou kunnen" dat vergunningen noodzakelijk waren maar dat zij civielrechtelijk is onderlegd en "maar heeft opgeschreven wat haar collega (daarover) zei", de projectleider die namens de Gemeente deelnam aan het bouwteam gaf aan dat hij civieltechnisch is onderlegd en vergunningen beschouwt als "belangrijk maar een noodzakelijk kwaad". Verder heeft de Gemeente ter zitting het standpunt ingenomen dat niet wordt ontkend dat vereiste vergunningen ontbreken, maar dat de vaststelling dat vergunningen vereist zijn is voorbehouden aan de bestuursrechter en dat hierover bestuursrechtelijk niet is geklaagd door [eisers] . Verder voert de Gemeente aan dat een activiteit waarvoor een vergunning was vereist achteraf altijd kan worden gelegaliseerd en een vergunningsplicht niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals door [eisers] is geleden. Tot slot is door de Gemeente gesteld dat de vergunningsplicht niet op haar rustte, maar op [bouwbedrijf] als uitvoerder.
3.10.
De voorzieningenrechter houdt het er bij gebrek aan een gemotiveerde betwisting voor dat activiteiten zijn verricht zonder dat de vereiste vergunningen zijn verleend. Dat is in beginsel onrechtmatig jegens degenen die aan het vergunningsvereiste bescherming kunnen ontlenen. Dat kan anders zijn als nadien een vergunning wordt verleend waarin de activiteit wordt toegestaan of als met voldoende mate van zekerheid is te verwachten dat een dergelijke vergunning zal worden verleend [3] , maar niet gesteld of gebleken is dat nadien een vergunning is verleend of naar alle waarschijnlijkheid zou worden verleend, laat staan is aangevraagd. Zonder verder onderzoek, waarvoor in dit kort geding geen plaats is, kan niet worden vastgesteld om welke vereiste vergunningen het precies gaat en of het (in alle gevallen) gaat om vergunningsvereisten waaraan [eisers] bescherming kan worden ontleend.
Wel is door [eisers] onder andere verwezen naar artikel 7.15 BBL, wat voorschrijft dat bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van het gevaar voor de veiligheid van belendingen. Door de Gemeente is ter zitting verklaard dat ook omliggende percelen daar bescherming aan kunnen ontlenen. Of de vergunningsplicht voor de activiteit nu (zoals de Gemeente stelt) op de aannemer rust of (zoals [eisers] stelt) op de de Gemeente, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het midden blijven omdat de Gemeente bij de bouw van de kademuur in twee hoedanigheden tegelijk optrad: enerzijds als opdrachtgever en deelgenoot van het bouwteam, en anderzijds als het bevoegd gezag dat er behoort voor te waken dat de werkzaamheden niet zonder de vereiste vergunningen worden verricht. Dat de werkzaamheden zijn verricht zonder dat de vereiste vergunningen zijn verleend, acht de voorzieningenrechter dan ook onzorgvuldig van de Gemeente.
3.11.
Ten aanzien van de CAR-verzekering is door [eisers] gesteld dat het project is aangevangen zonder dekking van de doorlopende CAR-verzekering van de Gemeente, omdat de Gemeente heeft verzuimd het werk aan te melden bij de verzekeraar. [eisers] stelt hierdoor te zijn benadeeld, omdat de schade die zich heeft voorgedaan door deze verzekering zou zijn gedekt ongeacht de schuldvraag. Dit wordt door de Gemeente betwist. Volgens de Gemeente lag de verzekeringsplicht contractueel (op grond van het Programma van Eisen en op grond van de toepasselijke UAV 2012) volledig bij de aannemer.
3.12.
De voorzieningenrechter constateert dat de Gemeente op dit punt tegenstrijdige stellingen heeft ingenomen [4] . Tussen partijen staat niet ter discussie dat onderscheid kan worden gemaakt tussen een beroepsverzekering, een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering en een CAR-verzekering. De Gemeente voert aan dat in het Programma van Eisen in artikel 2.1.18 is opgenomen dat de aannemer een beroepsverzekering en een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering dient af te sluiten, en dat de Gemeente beschikt over een CAR-verzekering. Volgens de Gemeente betekent dat laatste echter niet dat zij daartoe ook verplicht was. Ook die verplichting rustte volgens de Gemeente op de aannemer op, zulks grond van artikel 43b lid 1 van de UAV. Tegelijkertijd erkent de Gemeente echter dat de aannemer dat niet hoefde te doen omdat de Gemeente al over een doorlopende CAR-verzekering beschikt. Verder wordt door de Gemeente niet betwist dat de CAR-verzekering uiteindelijk geen dekking bood voor dit werk omdat zij heeft verzuimd het werk tijdig aan te melden bij de verzekeraar.
3.13.
De voorzieningenrechter houdt er dan ook voor dat de Gemeente gehouden was om dit werk onder de dekking van een CAR-verzekering te brengen, maar dat de Gemeente heeft verzuimd om dit te doen. Verder acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat [eisers] in een betere positie had verkeerd indien elk van de hiervoor genoemde verzekeringen dekking had geboden. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt namelijk dat het ontbreken van de dekking door de CAR-verzekering er thans toe leidt dat [eisers] spreekwoordelijk van het kastje naar de muur wordt gestuurd door de Gemeente en de verzekeraar van de aannemer. Door de Gemeente is verder nog betwist dat de schade die is opgetreden onder de dekking van de CAR-verzekering zou zijn gevallen indien zij het werk wel zou hebben aangemeld. Dit betwisting is niet onderbouwd, terwijl dat wel op de weg van de Gemeente had gelegen. Reden daarvoor is dat de CAR-verzekering een aanvulling vormt op de beroeps- en bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering, [eisers] geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst en zodoende niet over alle informatie beschikt over de dekking en omdat het aanmelden van het werk bij de CAR-verzekering de verantwoordelijkheid van de Gemeente was. Bij de huidige stand van zaken acht de voorzieningenrechter het onzorgvuldig dat de Gemeente de werkzaamheden heeft laten aanvangen zonder dekking van de CAR-verzekering.
3.14.
[eisers] stelt dat de Gemeente tijdens de uitvoering van de werkzaamheden onvoldoende heeft gehandhaafd toen bleek dat de door Haskoning geadviseerde trillingsvrije werkwijze niet is opgevolgd en tot schade leidde, en in plaats van een bouwstop te gelasten juist heeft aangedrongen op voortzetting van de werkzaamheden. Dit wordt betwist door de Gemeente, die naar eigen zeggen juist alles in het werk heeft gesteld om schade te voorkomen. Volgens de Gemeente zijn er trillingsmeters en scheurmeters geplaatst, is er een voor- en tussenopname gedaan van de woning, zijn er naar aanleiding van het uitslaan van trillingsmeters maatregelen genomen, is besloten om de nieuwe damwand door middel van een hoogfrequent trilblok in te brengen en niet met de "silent piler" omdat hoogfrequent trillen tot minder uitslaan van de trillingsmeters leidde dan het gebruik van de "silent piler" en zijn de werkzaamheden meerdere malen stilgelegd voor "fundamenteel onderzoek" en wijziging van het werk met nieuwe berekeningen.
3.15.
De voorzieningenrechter gaat niet mee in het betoog van de Gemeente. De Gemeente was als deelnemer in het bouwteam gezamenlijk met [bouwbedrijf] verantwoordelijk voor het ontwerp en de uitvoering van het werk. Zij was daarbij bekend met de kwetsbaarheid van de woningen van [eisers] en het risico op schade. Ook hier geldt dat de Gemeente in een dubbele hoedanigheid optrad: als opdrachtgever en deelnemer aan het bouwteam, en daarnaast als bevoegd gezag. Op het bouwteam rustte de zorgplicht van artikel 1.7 Omgevingswet, die kort gezegd van toepassing is als men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een activiteit nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben. Op de Gemeente als bevoegd gezag rust de verantwoordelijkheid om die zorgplicht te handhaven.
3.16.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende gebleken dat de Gemeente in beide hoedanigheden een zorgvuldige invulling heeft gegeven aan die zorgplicht. Al kort na aanvang van de werkzaamheden bleek het risico op schade waar Haskoning voor heeft gewaarschuwd zich te verwezenlijken, omdat de eerste damwand die bestond uit houten palen niet afdoende bleek en er scheuren optraden in de woningen. Vervolgens is het werk onderbroken om de werkwijze te wijzigen waarna een nieuwe stalen damwand is geplaatst door middel van hoogfrequent trillen en niet met de "silent piler" zoals door Haskoning was aanbevolen. Volgens de Gemeente liggen daar nieuwe berekeningen aan ten grondslag en is deze keuze gemaakt omdat dit juist tot minder uitslagen van de trillingsmeters zou leiden. Dit heeft de Gemeente echter niet onderbouwd. Ten eerste is het bestaan van de genoemde nieuwe berekeningen in eerste instantie ontkend toen zij door middel van een WOO-verzoek werden opgevraagd, en ook in dit kort geding is het bestaan ervan niet gebleken. Bovendien lijkt haar stelling in tegenspraak met het rapport van Haskoning waarin deze heeft gewaarschuwd dat de ondergrond kan verdichten onder invloed van met name hoogfrequent trillen. In dat licht bezien acht de voorzieningenrechter de gegeven verklaring om af te zien van de "silent piler" dan ook ontoereikend. Wat er ook zij van de gewijzigde werkwijze en bestaan van de nieuwe berekeningen, één en ander bleek in ieder geval ontoereikend om verdere schade te voorkomen. Het lijkt er vooral op dat de Gemeente op enig moment heeft geconcludeerd dat er geen weg meer terug was, en er wat de Gemeente betreft sprake was van twee sporen: (1) het voortzetten van de werkzaamheden na goedkeuring van het stutplan door [eisers] en (2) het afwikkelen van de schade [5] . [eisers] is akkoord gegaan, de voorgevel is vervolgens gestut en de werkzaamheden aan de kademuur zijn afgerond waarna [deskundige] heeft geconcludeerd dat de fundering niet overal meer steunt op de ondergrond. Op de afwezigheid van de vergunningen is door de Gemeente niet gehandhaafd. Een formele bouwstop op die grondslag is niet opgelegd.
3.17.
De cumulatie van het bovenstaande, dat wil zeggen (1) het aanvangen van de werkzaamheden zonder dat de vereiste vergunningen waren aangevraagd en verleend en daar niet op te handhaven, (2) het aanvangen van de werkzaamheden zonder dekking van de CAR-verzekering en (3) het gebrek aan handhaving op de door Haskoning geadviseerde werkwijze waarna de het risico op schade waarvoor was gewaarschuwd zich heeft verwezenlijkt, maakt dat de voorzieningenrechter het aannemelijk acht dat de rechter in de bodemzaak tot het oordeel zal komen dat de Gemeente zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [eisers] dat zij (mede) aansprakelijk kan worden gesteld voor daaruit voorvloeiende schade.
De schade
3.18.
Zoals onder nummer 3.2 reeds overwogen acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van de werkzaamheden aan de kademuur. De voorzieningenrechter dient thans te beoordelen het aannemelijk is dat de bodemrechter de diverse door [eisers] gevorderde schadeposten zal toewijzen, en of voldaan wordt aan het in kort geding geldende toetsingskader voor geldvorderingen zoals genoemd onder nummer 3.1.
3.19.
Dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de schade aan de fundering voor vergoeding in aanmerking komt acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk. De aanwezigheid van deze schade blijkt afdoende uit het rapport van [deskundige] en diens aanvullende verklaring [6] , waarin één en ander wordt onderbouwd. Volgens [deskundige] is er thans sprake van een woning die aantoonbaar niet veilig te bewonen. Volgens [deskundige] is er een reëel risico op verergering van de schade en waarbij het risico bestaat op plotseling lokaal bezwijken bij regen, vorst of extra belasting. De verklaringen van [deskundige] zijn door de Gemeente niet gemotiveerd weersproken. Door de Gemeente is slechts de onafhankelijkheid van de deskundige in twijfel getrokken, maar de Gemeente heeft geen eigen bevindingen tegenover het rapport van [deskundige] gesteld. Verder wijst de Gemeente er met verwijzing naar de vooropname en de tussenopname op dat de woningen vooraf ook al schade had, maar een vergelijking van deze twee opnames laat al wel een verergering van de schade zien en de tussenopname vond bovendien plaats vóór de verzakking die heeft geleid tot het stutten van de woning.
3.20.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengen de omstandigheden van het geval met zich dat een onmiddellijke voorziening is vereist ten aanzien van deze schade. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat haast is geboden om de situatie rondom de fundering in kaart te brengen en de stabiliteit te herstellen. Verder is door [eisers] onbetwist gesteld dat hij en [eiser sub 2] in een financieel penibele situatie zijn beland en de kosten op dit moment niet kunnen dragen. Hoewel een financieel penibele situatie een indicatie kan zijn voor de aanwezigheid van een restitutierisico, behoeft dat in dit geval niet aan toewijzing van een voorschot in de weg te staan. Mocht in de bodemzaak toch geoordeeld worden dat de Gemeente niet aansprakelijk is voor de schade, dan zal een eventueel onverschuldigd betaald bedrag mogelijk verhaald kunnen worden op (de verzekeraar van) de aannemer of op de woningen van [eisers] , die (zoals onbetwist is gesteld) niet bezwaard zijn met een hypotheekrecht.
3.21.
Het voorgaande brengt met zich dat de voorzieningenrechter de Gemeente bij wijze van voorschot zal veroordelen tot vergoeding van de schade die bestaat uit het (laten) verrichten van funderingsonderzoek alsmede het, na het bekend worden van de uitkomsten daarvan, (laten) treffen van de noodzakelijke stabiliserende maatregelen. De voorzieningenrechter begrijpt dat [eisers] vordert deze schadevergoeding in natura toe te kennen. Hiertegen is op zichzelf geen verweer gevoerd. De voorzieningenrechter ziet, overeenkomstig de discretionaire ruimte die zij daartoe heeft op grond van artikel 6:103 BW Pro [7] , aanleiding om deze vordering toe te wijzen.
3.22.
[eisers] vordert vergoeding van de kosten van € 1.815,00 die zijn gemaakt in verband met het opstellen van het rapport door [deskundige] . De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat deze kosten in de bodemprocedure op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro voor vergoeding in aanmerking komen. Voor deze kosten geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter hetzelfde als overwogen onder nummer 3.20. De vordering zal daarom worden toegewezen.
3.23.
[eisers] vordert verder schade die bestaat uit de huurkosten die hij en [eiser sub 2] hebben gemaakt en moeten maken om zelf elders woonruimte te huren, dit in verband met de onveilige situatie in de woning aan [adres] , en uit gederfde huurinkomsten van de woning aan [adres] die verhuurd werd, maar waarvan hij de huurovereenkomst heeft moeten beëindigen omdat deze woning (hoewel deze niet onveilig is bevonden) moet worden hersteld en daarom thans niet kan worden verhuurd. [eisers] verwacht dat deze situatie nog minstens 18 maanden zal voortduren.
3.24.
Ten aanzien van de huurkosten wijst de Gemeente er op dat [eisers] deze vanaf 6 augustus 2024 vordert terwijl de huurovereenkomst pas op 1 juni 2025 is ingegaan, en stelt de Gemeente dat [eisers] ook de woning aan de [adres] zou kunnen gaan bewonen. De huurderving is volgens de Gemeente niet het gevolg van de werkzaamheden aan de kademuur maar van gewijzigde regelgeving die maakt dat hij zijn huurders een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd zou moeten aanbieden.
3.25.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt, zoals hierboven al overwogen, uit het rapport en de aanvullende verklaring van [deskundige] dat de woning aan [adres] niet veilig is om te bewonen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn [eiser sub 1] en [eiser sub 2] daardoor genoodzaakt elders te gaan wonen, wat tot schade in de vorm van huurkosten heeft geleid. Volgens [eisers] bedraagt die schade € 2.090,00 per maand, maar de voorzieningenrechter constateert uit de overgelegde huurovereenkomst dat hierin ook € 490,00 aan voorschot op gas, water en elektriciteit in begrepen is. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen schade, omdat [eisers] die kosten nu niet meer maakt aan [adres] . De huurovereenkomst is ingegaan op 1 juni 2025. De verwachte duur van de herstelwerkzaamheden van 18 maanden is door de Gemeente niet betwist. De voorzieningenrechter acht dan ook aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat de Gemeente € 1.600,00 per maand aan huurkosten als schade zal moeten vergoeden. Anders dan de Gemeente betoogt kon [eisers] niet in de woning aan [adres] gaan wonen omdat daar nog tot 1 maart 2026 huurders woonachtig zijn, en de woning daarna bovendien hersteld moet worden.
3.26.
Ten aanzien van de huurkosten geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter hetzelfde als onder nummer 3.20. Dit betekent dat de voorzieningenrechter een voorschot zal toewijzen ten bedrage van € 14.400,00 over de periode juni 2025 t/m februari 2026, en € 28.800,00 over de daaropvolgende periode van 18 maanden.
3.27.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het voldoende aannemelijk dat [eisers] schade lijdt die bestaat uit gederfde huurinkomsten. De woning dient immers te worden hersteld. Niet is betwist dat de huurders daarom (tijdelijk) uit de woning zullen moeten vertrekken. Om te voorkomen dat [eisers] kosten zou moeten maken om vervangende woonruimte te regelen voor de huurders (kosten die hij thans niet kan dragen) heeft hij de huurovereenkomst opgezegd voordat deze, kennelijk als gevolg van gewijzigde regelgeving, zou overgaan in een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarmee kan ook deze huurderving worden toegerekend aan de werkzaamheden aan de kademuur. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat [eisers] onvoldoende heeft onderbouwd dat het derven van huurinkomsten een onmiddellijke voorziening vereist. Anders dan voor de overige schadeposten is hier immers geen sprake van (oplopende) kosten die [eisers] niet langer kan dragen. De vordering moet op dit punt dan ook worden afgewezen.
3.28.
Tot slot vordert [eisers] vergoeding van (een deel van) de door hem gemaakte advocaatkosten. Zonder verdere onderbouwing (die ontbreekt) is de voorzieningenrechter met de Gemeente van oordeel dat het niet aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure deze vordering zou toewijzen omdat er vanuit moet worden gegaan dat het kosten betreft waarvoor een reguliere proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden.
3.29.
Uit het voorgaande volgt dat een voorschot van € 45.015,00 op de schadevergoeding zal worden toegewezen.
Overleggen van stukken
3.30.
[eisers] vordert dat de Gemeente wordt bevolen om de volgende stukken in afschrift aan hem over te leggen:
- de CAR-polis;
- de aannemingsovereenkomst met [bouwbedrijf] B.V.;
- de aanvraag met bijlagen onderliggend aan de watervergunning;
- het na de stillegging in juli 2024 opgestelde plan van aanpak;
- de correspondentie met de CAR-verzekeraar;
- de correspondentie met verzekeraar AON Solution en haar schade-expertise bureau Mclaren;
- de correspondentie met TVW-expertise;
- de opdrachtverlening tot het plaatsen van de trillingsmeters en het stutwerk.
3.31.
In artikel 195 lid 1 Rv Pro staan de voorwaarden waaraan een vordering tot afgifte van gegevens moet voldoen. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. Als degene die informatie van een ander verlangt aan deze voorwaarden voldoet, kan de rechter een daartoe strekkende vordering alleen afwijzen als (a) degene die over de gegevens beschikt een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165 lid 2 Rv Pro toekomt of (b) gewichtige redenen zich tegen het geven van een afschrift verzetten (artikel 195 lid 1 Rv Pro in samenhang met artikel 194 lid 2 Rv Pro).
3.32.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de gevraagde stukken voldoende bepaald. De stukken worden namelijk concreet aangeduid. Het bestaan van de stukken wordt door de Gemeente niet betwist. Verder is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken dat sprake is van een rechtsbetrekking waarbij [eisers] partij is, en dat [eisers] een voldoende belang heeft. Hierboven is immers overwogen dat het aannemelijk is dat in de bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de Gemeente onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld. Door [eisers] is gesteld dat de gevraagde informatie nodig is om de stellingen in de bodemprocedure nader te kunnen onderbouwen. Door de Gemeente is aangevoerd dat [eisers] al over veel van de gevraagde informatie beschikt en zodoende geen belang meer heeft, maar hieraan gaat de voorzieningenrechter voorbij. Ten aanzien van de CAR-polis heeft [eisers] ter zitting toegelicht dat hij weliswaar over het polisblad beschikt, maar niet over de volledige verzekeringspolis en dat hij daarbij belang heeft om vast te kunnen stellen of de schade wel onder de dekking zou zijn gevallen indien de Gemeente het werk tijdig had aangemeld. Ten aanzien van de correspondentie met verzekeraars en expertisebureaus en ten aanzien van de aanvraag voor de watervergunning en de opdrachtverlening tot het plaatsen van trillingsmeters en stutwerk heeft de Gemeente wel aangevoerd dat [eisers] al over veel documenten beschikt, maar heeft zij niet gemotiveerd betwist dat [eisers] nog niet
allestukken heeft ontvangen. Tot slot is door de Gemeente aangevoerd dat [eisers] over de opdrachtbevestiging naar [bouwbedrijf] beschikt, maar betwist zij niet dat [eisers] niet over de aannemingsovereenkomst met [bouwbedrijf] beschikt, en wordt evenmin betwist dat [eisers] niet over het gewijzigde plan van aanpak beschikt. De Gemeente meent tot slot dat [eisers] geen spoedeisend belang heeft omdat ten aanzien van de stukken nog een WOO-verzoek aanhangig is waarop binnenkort een besluit zal worden genomen. Ook hieraan gaat de voorzieningenrechter voorbij, omdat informatieverstrekking onder de WOO een wezenlijk ander karakter kent dan informatieverstrekking als bedoeld in artikel 195 Rv Pro. Bij een WOO-verzoek wordt openbaarmaking van informatie verzocht, terwijl bij een verzoek als bedoeld in artikel 195 Rv Pro inzage wordt gevraagd door uitsluitend de verzoeker en de informatie daarna niet openbaar wordt gemaakt.
3.33.
Door de Gemeente is niet gesteld dat sprake is van een verschoningsrecht of dat er gewichtige redenen zijn die zich tegen inzage verzetten. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de Gemeente opdragen om de gevraagde stukken in afschrift aan [eisers] te verstrekken.
Vordering tot het laten horen van [eisers] en het nemen van een besluit in de bezwaarprocedure
3.34.
[eisers] vordert dat de Gemeente wordt veroordeeld om [eisers] te (doen) horen in de bezwaarschriftprocedure rondom het WOO-verzoek en om de Gemeente te veroordelen binnen 42 dagen een beslissing te nemen op het bezwaarschrift. Deze vorderingen worden afgewezen omdat het niet aan de civiele voorzieningenrechter is om te bepalen hoe de Gemeente tot het nemen van een besluit dient te komen en omdat tegen het niet tijdig nemen van een besluit een bestuursrechtelijke weg open staat (artikel 6:2 sub f jo Pro 7:1 lid 1 sub f Awb).
Slotsom
3.35.
De vorderingen genoemd onder nummer 2.3 onder I zal worden toegewezen tot het bedrag van € 45.015,00. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat geen dwangsom kan worden verbonden aan de betaling van een geldsom.
3.36.
De vorderingen onder II, III en IV zullen worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om aan de toewijzing van deze vorderingen een dwangsom te verbinden van € 500,00 voor iedere dag dat de Gemeente nalaat deze veroordelingen na te komen, zulks totdat een maximum van € 10.000,00 aan dwangsommen is verbeurd.
3.37.
De vordering onder V wordt afgewezen.
3.38.
De Gemeente is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,67
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.766,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.451,67

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt de Gemeente om bij wijze van voorschot op een schadevergoeding aan [eisers] te betalen een bedrag van € 45.015,00,
4.2.
veroordeelt de Gemeente tot het verrichten, dan wel het laten verrichten van een funderingsonderzoek, en om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis hiermee een aanvang te hebben gemaakt dan wel hiertoe opdracht te hebben gegeven,
4.3.
veroordeelt de Gemeente tot het treffen, dan wel het laten treffen, van de stabiliserende maatregelen die naar aanleiding van de uitkomsten van het funderingsonderzoek noodzakelijk blijven en om binnen veertien dagen na het bekend worden van de uitkomsten van het funderingsonderzoek hiermee een aanvang te hebben gemaakt dan wel hiertoe opdracht te hebben gegeven,
4.4.
veroordeelt de Gemeente om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een afschrift van de volgende bescheiden te verstrekken:
- de CAR-polis;
- de aannemingsovereenkomst met [bouwbedrijf] B.V.;
- de aanvraag met bijlagen onderliggend aan de watervergunning;
- het na de stillegging in juli 2024 opgestelde plan van aanpak;
- de correspondentie met de CAR-verzekeraar;
- de correspondentie met verzekeraar AON Solution en haar schade-expertise bureau Mclaren;
- de correspondentie met TVW-expertise;
- de opdrachtverlening tot het plaatsen van de trillingsmeters en het stutwerk,
4.5.
bepaalt dat de Gemeente een dwangsom van € 500,00 verbeurt voor iedere dag dat zij in gebreke blijft om aan één van de onder randnummers 4.2, 4.3 of 4.4 genoemde hoofdveroordelingen te voldoen, zulks totdat een maximum van € 10.000,00 aan dwangsommen is verbeurd,
4.6.
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van € 2.451,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
524 / MvdH

Voetnoten

1.zie productie 14 bij Dagvaarding
2.zie productie 1 bij de Conclusie van Antwoord
3.zie: Hoge Raad 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5099 r.o. 3.4 en Hoge Raad 3 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8108.
4.zie randnummer 3.20 in de Conclusie van Antwoord.
5.zie productie 20 bij Dagvaarding.
6.zie productie 56 aan de zijde van [eisers] .
7.Conclusie van de A-G bij Hoge Raad 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6236, r.o. 4.5