Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2007:BA6236

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/103HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in schadevergoeding wegens wanprestatie bank

Eiser vorderde van de bank een schadevergoeding wegens wanprestatie in verband met het voortzetten van de liquidatie van zijn effectenportefeuille. Na meerdere tussenvonnissen en een vonnis van de rechtbank werd de bank veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 11.029,73 met rente. Eiser stelde hoger beroep in, maar het gerechtshof verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen een tussenvonnis en bekrachtigde de overige vonnissen.

Tegen dit arrest van het hof stelde eiser beroep in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad ontving conclusies van de Advocaat-Generaal die tot verwerping van het cassatieberoep strekten. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft de eerdere beslissing van het gerechtshof in stand en wordt de vordering van eiser grotendeels afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de eerdere afwijzing van de schadevergoeding.

Uitspraak

13 juli 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/103HR
MK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
BANQUE ARTESIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Bank.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 26 juni 2000 de Bank gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, na wijziging van eis, de Bank te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 1.571.283,50, met rente en kosten.
De Bank heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na tussenvonnissen van 14 februari 2001, 11 september 2002 en 25 juni 2003, bij vonnis van 31 maart 2004 de Bank veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.029,73, met rente.
Tegen deze vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 22 december 2005 heeft het hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 14 februari 2001 en de overige vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Bank mede door mr. E.M. Tjon-En-Fa, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 24 mei 2007 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 5.905,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 13 juli 2007.