ECLI:NL:PHR:2007:BA7223
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geschil over de uitleg van onderkeldering bij koopprijsbepaling van onroerend goed
De zaak betreft een geschil tussen koper en verkoper over de berekening van de koopprijs van een pand in Amsterdam, waarbij de koopprijs afhankelijk is gesteld van het bouwvolume. De kern van het geschil is of de door verkoper gerealiseerde ondergrondse woon- en bergruimte (211 m2) moet worden meegerekend bij de koopprijs of als onderkeldering buiten beschouwing blijft.
De rechtbank wees de vordering van koper deels toe, maar het hof Amsterdam oordeelde dat de ondergrondse bouwruimte wel degelijk onder de uitzondering van 'onderkeldering' valt en dus niet meetelt voor de koopprijs. Het hof motiveerde dat de koopprijs gekoppeld is aan het bouwvolume dat winst oplevert, terwijl ondergrondse bouw vanwege hoge kosten geen of nauwelijks winst bijdraagt.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de koper onvoldoende feiten heeft gesteld om de uitzondering anders uit te leggen. Ook is het beroep op artikel 6:258 BW Pro (onvoorziene omstandigheden) afgewezen. De contra-proferentem-regel is niet van toepassing omdat de bepaling niet onduidelijk is en partijen deskundige bijstand hadden.
De Hoge Raad benadrukt dat de koopprijsbepaling en de uitzondering voor onderkeldering zorgvuldig zijn uitgelegd en dat de koppeling van de koopprijs aan het bouwvolume en het rendement op het project centraal staat. De ondergrondse bouwruimte wordt daarmee terecht buiten de koopprijs gehouden.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat ondergrondse bouwruimte als onderkeldering valt en buiten de koopprijs blijft.