ECLI:NL:PHR:2007:BB2964
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verlening voorlopige machtiging op grond van gevaarscriterium Wet Bopz bevestigd
De zaak betreft een verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging voor opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet Bopz. De rechtbank had de machtiging verleend op basis van het gevaarscriterium, waarbij werd vastgesteld dat betrokkene zichzelf ernstig verwaarloosde, maatschappelijke ondergang dreigde, en dat haar hinderlijk gedrag agressie van anderen tegen haar zou kunnen oproepen.
Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank onterecht had geoordeeld dat aan het gevaarscriterium was voldaan, met name dat onvoldoende bewijs was voor maatschappelijke ondergang, hygiënische gebreken, medicatieontrouw en agressie van anderen. De Hoge Raad oordeelde dat het gevaarscriterium niet vereist dat maatschappelijke ondergang reeds is ingetreden, maar dat een reële mogelijkheid volstaat. De rechtbank had voldoende feiten en medische verklaringen om het gevaar van ernstige zelfverwaarlozing en agressie te onderbouwen.
Hoewel de motivering omtrent het gevaar van maatschappelijke ondergang niet volledig was uitgewerkt, kon dit de beslissing niet ondermijnen omdat de overige gevaren zelfstandig de machtiging rechtvaardigden. De klachten over het contact met de bewindvoerder, hygiëne, medicatieontrouw en overlast werden eveneens verworpen of als onvoldoende om cassatie te rechtvaardigen beoordeeld.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat de voorlopige machtiging terecht was verleend.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de voorlopige machtiging terecht is verleend op grond van het gevaarscriterium van de Wet Bopz.