ECLI:NL:PHR:2007:BB3036
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maximale geldigheidsduur machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis
In deze zaak gaat het om de geldigheidsduur van een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank had een machtiging verleend met een geldigheidsduur van vijf jaar, gebaseerd op de constatering dat betrokkene verblijft op een psycho-geriatrische afdeling zonder uitzicht op herstel.
De officier van justitie stelde cassatie in tegen deze beschikking, stellende dat de termijn van vijf jaar niet in overeenstemming is met de Wet Bopz. Volgens art. 17 lid 3 Wet Pro Bopz is de maximale geldigheidsduur van een machtiging tot voortgezet verblijf één jaar, tenzij het verblijf ononderbroken ten minste vijf jaar heeft geduurd, waarna de termijn maximaal twee jaar mag zijn (art. 19).
De rechtbank had de vijfjarige termijn gebaseerd op een analoge toepassing van art. 17 lid 4 Wet Pro Bopz, die geldt voor zwakzinnigen- of verpleeginrichtingen. De Hoge Raad oordeelt dat deze analogie onjuist is omdat het verblijf in een algemeen psychiatrisch ziekenhuis niet gelijkgesteld kan worden met een verpleeginrichting. Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en bepaalt zelf dat de machtiging geldig is voor twee jaar vanaf de oorspronkelijke beschikking.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verleent een machtiging tot voortgezet verblijf voor de duur van twee jaar.