ECLI:NL:PHR:2007:BB3070
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onjuiste toepassing art. 359 lid 3 Sv bij verkrachtingszaak
In deze zaak werd verdachte door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld voor meervoudige verkrachting van zijn pleegdochter. Verdachte had tijdens de terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd waarin hij de seksuele handelingen erkende, maar ontkende dat deze onder dwang hadden plaatsgevonden. Hij stelde dat hij zich pas na het plegen van de feiten bewust werd van het feit dat zijn pleegdochter de handelingen mogelijk tegen haar wil onderging.
Het hof had echter geoordeeld dat verdachte de bewezenverklaring had bekend en volstond daarom met een opgave van bewijsmiddelen conform art. 359 lid 3 Sv Pro. De Hoge Raad oordeelt dat deze uitleg onbegrijpelijk is omdat verdachte niet ondubbelzinnig heeft bekend aan alle bestanddelen van het bewezenverklaarde, met name het opzettelijk veroorzaken van dwang.
De conclusie van de Procureur-Generaal stelt dat het hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen en dat het arrest dient te worden vernietigd. Tevens is de redelijke termijn overschreden, wat bij een eventuele strafoplegging door de herberechtende rechter in aanmerking moet worden genomen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting op basis van het bestaande dossier. De klacht over de tegenstrijdigheid in het vonnis behoeft geen bespreking omdat de vernietiging reeds voldoende is.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onjuiste toepassing van art. 359 lid 3 Sv.