ECLI:NL:PHR:2007:BB3193
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt teruggeleiding kind naar Hawaï ondanks worteling in Nederland
Deze zaak betreft een verzoek tot teruggeleiding van een kind naar Hawaï op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV). De moeder voerde aan dat terugkeer van het kind naar Hawaï een ernstig risico inhoudt dat het kind in een ondraaglijke toestand wordt gebracht, mede vanwege de langdurige scheiding van de moeder die mogelijk niet meer naar de Verenigde Staten kan terugkeren.
De rechtbank Amsterdam wees het verweer van de moeder af en beval teruggeleiding. Het hof Amsterdam oordeelde echter dat de moeder voldoende bijzondere omstandigheden had aangevoerd om teruggeleiding te weigeren. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en verwees de zaak terug naar het hof te 's-Gravenhage.
Het hof te 's-Gravenhage oordeelde vervolgens dat de moeder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat terugkeer het kind in een ondraaglijke toestand zou brengen. Het hof achtte ook niet aannemelijk dat de moeder niet in aanmerking kon komen voor een Significant Public Benefit Parole (SPBP) en dat het kind niet geworteld was in Nederland in die mate dat terugkeer niet in het belang van het kind was.
De moeder ging in cassatie, maar de Hoge Raad verwierp haar middelen. De Hoge Raad benadrukte dat de weigeringsgrond van art. 13 lid 1 onder Pro b HKOV restrictief moet worden toegepast en dat het enkel geworteld zijn van het kind in de nieuwe omgeving niet voldoende is om terugkeer te weigeren. Ook werd bevestigd dat art. 8 EVRM Pro en art. 3 IVKV Pro de teruggeleiding niet in de weg staan, tenzij er sprake is van een ernstig risico voor het kind.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de teruggeleiding van het kind naar Hawaï en verwierp het cassatieberoep van de moeder.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de teruggeleiding van het kind naar Hawaï en wijst het cassatieberoep van de moeder af.