ECLI:NL:PHR:2007:BB3523
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid loyaliteitsdividend en onmiddellijke voorzieningen in vennootschapsrecht
De zaak betreft de voorgenomen invoering van een loyaliteitsdividend door Koninklijke DSM N.V., waarbij houders van gewone aandelen die hun aandelen langdurig en geregistreerd aanhouden, een extra dividend ontvangen. Franklin c.s. maakten bezwaar en verzochten de Ondernemingskamer om een onderzoek en het opleggen van een onmiddellijke voorziening om de invoering op te schorten.
De Ondernemingskamer verbood de invoering van het loyaliteitsdividend en stelde dat dit in strijd was met het gelijkheidsbeginsel van artikel 2:92 lid 1 BW Pro. De Hoge Raad stelt in cassatie in het belang der wet dat deze uitleg onjuist is. Het loyaliteitsdividend is niet verbonden aan een aparte soort aandelen, maar aan de registratie van het aandeelhouderschap, wat toelaatbaar is zolang het statutaire grondslag heeft.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de Ondernemingskamer bij het opleggen van onmiddellijke voorzieningen op grond van art. 2:349a lid 2 BW een belangenafweging moet maken en dat dit in deze zaak onvoldoende is gebeurd. De regeling van DSM wordt niet in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel, mits er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat, wat hier het geval is vanwege het bevorderen van langetermijnaandeelhouderschap.
De uitspraak bevat een uitgebreide analyse van het gelijkheidsbeginsel in het vennootschapsrecht, de verhouding tot Europese richtlijnen, jurisprudentie en buitenlandse vergelijkingen, en benadrukt het bijzondere karakter van het enquêterecht en de beperkingen van onmiddellijke voorzieningen.
Uitkomst: Het loyaliteitsdividend is niet in strijd met artikel 2:92 lid 1 BW en de Ondernemingskamer heeft onvoldoende belangenafweging gemaakt bij het opleggen van onmiddellijke voorzieningen.