Conclusie
BW-SM). Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het
Hof) heeft het onderhavige enquêteverzoek van het Openbaar Ministerie van Sint Maarten (hierna: het
OM) eind 2020 in zijn eindbeschikking afgewezen op basis van een belangenafweging, na aanhouding van de beslissing ter zake vanaf zijn eerste beschikking medio 2018. In laatstgenoemde beschikking heeft het Hof onder meer vastgesteld dat sprake was van de in art. 2:274 lid 1 BW Pro-SM bedoelde gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen en een voorlopige voorziening getroffen op de voet van art. 2:276 BW Pro-SM, neerkomend op schorsing van een bestuurder. Het OM heeft principaal cassatieberoep ingesteld van de vier beschikkingen, de bestuurder incidenteel cassatieberoep. M.i. zijn beide cassatieberoepen vergeefs gedaan.
1.Achtergrond van de zaak
Beschikking I). [1]
Land) is enig aandeelhouder van Sint Maarten Harbour Holding Company N.V. (hierna:
SMHHC). SMHHC houdt, direct of indirect, alle aandelen in de overige verweersters (hierna tezamen met SMHHC: de
vennootschappen). De vennootschappen leggen zich toe op activiteiten die verband houden met de haven van Sint Maarten. Tot 29 juni 2017 was statutair bestuurder [belanghebbende 22] (hierna:
[belanghebbende 22]) volledig bevoegd SMHHC en de meeste andere van de vennootschappen te vertegenwoordigen.
RvC) zijn bezwaren kenbaar gemaakt tegen het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschappen. Hierop is namens de vennootschappen en de RvC bij brieven van 1 augustus 2017 gereageerd, maar niet naar genoegen van het OM. Dit heeft geleid tot het volgende verzoek van het OM aan het Hof.
2.Procesverloop (op hoofdlijnen)
In feitelijke instantie bij het Hof
legal and compliance officerte benoemen die toezicht houdt op naleving van de toepasselijke wet- en regelgeving, statuten en Corporate Governance Code binnen de vennootschappen, met uitdrukkelijke bepaling dat de door het Hof te benoemen tijdelijk bestuurder tot die benoeming bij uitsluiting bevoegd is;
Non-Retaliation Policyvast te stellen, met uitdrukkelijke bepaling dat de door het Hof te benoemen bestuurder tot die benoeming bij uitsluiting bevoegd is;
Corporate GovernanceAl jaren wordt niet voldaan aan de eisen gesteld door de statuten van verweerster sub 1 [SMHHC, A-G] en de
Corporate Governance Code for Island Owned Companies Sint Maartenop het vlak van Corporate Governance. Zo heeft de toenmalige Minister van Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie in augustus 2012 als vertegenwoordiger van de aandeelhouder zonder deugdelijke onderbouwing aan alle leden van de RvC verzocht om voortijdig hun ontslag in te dienen, waarna de RvC werd samengesteld uit drie leden in plaats van de statutair voorgeschreven minimale bezetting van vijf leden. De eveneens statutair voorgeschreven expertise binnen de RvC (scheepvaart/cruise, economisch, financieel en juridisch) is daarbij al jaren niet toereikend. Voorts is de RvC structureel informatie onthouden, zijn door het bestuur (op instructie van de aandeelhouder) besluiten genomen zonder noodzakelijke instemming van de RvC en wordt al jaren niet voldaan aan de verplichting om binnen een half jaar na het afsluiten van het boekjaar een algemene vergadering van aandeelhouders te houden met als doel het bevestigen en aannemen van de jaarcijfers en het jaarverslag.
Het project Causeway
De Octaviolening
De schikking met Zebec
Fraude met nepfacturen
3. De beoordeling3.1 Op grond van artikel 2:271 BW Pro kan het Hof een of meer onderzoekers benoemen met de opdracht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken bij een rechtspersoon en daarmee nauw verbonden rechtspersonen. Artikel 2:272 lid 2 BW Pro bepaalt onder meer dat het openbaar ministerie steeds bevoegd is een dergelijk verzoek te doen om redenen van openbaar belang. Ingevolge artikel 2:272 lid 3 BW Pro kan het openbaar ministerie voorafgaand aan een in te dienen verzoek inlichtingen doen inwinnen bij de betreffende rechtspersoon over het beleid en de gang van zaken en is die rechtspersoon verplicht de gevraagde inlichtingen te verschaffen en inzage te verlenen. Artikel 2:276 lid 1 BW Pro bepaalt dat het Hof in iedere stand van het geding waarin een onderzoek wordt verzocht voorlopige voorzieningen kan treffen als bedoeld in het derde lid van die bepaling.
legal and compliance officer) en 3f) eerste gedeelte (benoeming ombudsman/vertrouwenspersoon) heeft het OM verklaard bereid te zijn de betreffende verzoeken in te trekken zodra de vennootschappen uitvoering hebben gegeven aan het door hen geuite voornemen dergelijke functionarissen op korte termijn te benoemen.
corporate governanceen gelet op de kwestie van de nepfacturen, gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid. Zij stellen voorts dat een enquête kan bijdragen aan de ook door hen, zeker bij overheidsvennootschappen, van groot belang geachte transparantie. Niettemin zijn de vennootschappen van mening dat een onderzoek zoals door het OM verzocht achterwege moet blijven. Zij stellen te vrezen dat de kosten van een enquête hoog zullen zijn en dat de onderzoekers een groot beslag zullen leggen op de tijd van hun bestuurders, terwijl die bestuurders zich volledig dienen te richten op het herstelproces na de orkanen van vorig jaar. Ter zitting hebben de vennootschappen subsidiair verzocht een te gelasten enquête niet eerder dan over een halfjaar te laten aanvangen. Zij hebben voorts te kennen gegeven dat zij voornemens zijn zelf onderzoek te laten doen (een “nulmeting”), dat zij ervoor openstaan om in samenspraak met het OM tot nadere maatregelen te komen en dat zij, in het bijzonder ook wat betreft het project Causeway, bereid zijn tot het verstrekken van nadere inlichtingen aan het OM. Binnenkort zal volgens de vennootschappen een commissaris met een juridische achtergrond worden benoemd, zodat dan ook zal zijn voldaan aan de kwalitatieve eisen die de statuten stellen aan de samenstelling van de RvC. Over de verdenkingen tegen [belanghebbende 22] en diens positie binnen de vennootschappen verwachten de vennootschappen meer duidelijkheid te krijgen als zijn strafzaak later deze maand wordt behandeld.
legal and compliance officer) en 3f) eerste gedeelte (benoeming ombudsman/vertrouwenspersoon) aan te houden tot na een voortzetting van de behandeling. Daarmee krijgen de vennootschappen de gelegenheid voort te gaan met het treffen en afronden van maatregelen ter verbetering van het beleid en de gang van zaken bij de vennootschappen en tot het treffen van maatregelen om de gevolgen van eerder gevoerd onjuist beleid zoveel mogelijk ongedaan te maken of te beperken. De vennootschappen zullen voorts met het OM in overleg kunnen treden over de vraag in hoeverre de bezwaren van de vennootschappen tegen een enquête - de kosten en het tijdsbeslag - kunnen worden verlicht, alsmede over de vorm en reikwijdte van een in opdracht van de vennootschappen en/of een eventueel op last van het Hof te verrichten onderzoek.
Beschikking II) [3] overweegt het Hof als volgt:
2. De verdere beoordeling
Beschikking III) [4] overweegt het Hof als volgt:
2. De verdere beoordeling
www.rechtspraak.nlonder nummers ECLI:NL:OGEAC:2020:22 ( [… 1] ), ECLI:NL:OGEAC:2020:23 ( [belanghebbende 22] ) en ECLI:NL:OGEAC:2020:24 ( [… 2] ).
Beschikking IV) [5] overweegt het Hof als volgt:
legal and compliance officeris benoemd evenals een ombudsman/vertrouwenspersoon. Na de strafrechtelijke veroordelingen in de [… 3] -zaak zijn de vennootschappen doende een deel van de financiële schade te verhalen op degenen door wier fout deze is veroorzaakt. Ook lijkt een uitkering door de verzekeraar van de vennootschappen in zicht te zijn (akte van de vennootschappen van 26 juni 2020).
Statuut voor het Koninkrijk der Nederlandenneergelegde concordantiebeginsel, dient de regeling van het enquêterecht van het BW-SXM in dit geval dan ook op dezelfde wijze te worden uitgelegd als de regeling van het enquêterecht van het BW-NL (vgl. HR 8 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:316, NJ 2019/395, rov. 3.4.2 in de Curaçaose enquêtezaak
Cordial).
Transom):
4.4.2
De aan de ondernemingskamer gegeven bevoegdheid een enquête te bevelen is een discretionaire, dat wil zeggen dat bij de uitoefening van die bevoegdheid een afweging van de betrokken belangen dient plaats te vinden, met dien verstande dat voor toewijzing van een verzoek ingevolge art. 2:350 lid 1 BW Pro slechts plaats is, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. De ondernemingskamer kan de bevoegdheid om een enquête te bevelen uiteraard slechts uitoefenen ten aanzien van het concrete aan haar voorgelegde verzoek. Dit brengt mee dat een door haar gemaakte belangenafweging moet steunen op feiten en omstandigheden zoals die zich voordoen in het haar voorgelegde geval (zie HR 20 november 1996, nr. 55, NJ 1997, 188). De ondernemingskamer zal bij deze belangenafweging, ook al heeft die plaats in een concreet geval, naast de hiervoor omschreven doeleinden van het enquêterecht mede de in 4.4.1 bedoelde bezwaren moeten betrekken, en de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil in aanmerking moeten nemen. Er bestaat evenwel geen grond van de ondernemingskamer te vergen dat zij telkens in de motivering van haar beslissing tot uitdrukking brengt dat zij de bedoelde bezwaren in de beoordeling heeft betrokken. Daarbij is van belang dat de afweging van de bij die bezwaren betrokken meer algemene belangen tegen de in het concrete geval bestaande belangen zich veelal niet voor een gedetailleerde motivering leent.
(…)
5.5.2
Nu, zoals hiervoor in 4.4.2 is overwogen, de aan de ondernemingskamer toegekende bevoegdheid een enquête te gelasten een discretionaire is, kan in cassatie het oordeel van de ondernemingskamer dat aanleiding bestaat tot het toewijzen van een enquêteverzoek slechts in beperkte mate worden getoetst. De ondernemingskamer heeft in de rov. 3.5-3.23 uitvoerig overwogen waarom in deze zaak een onderzoek bevolen dient te worden. Hierbij heeft een weging plaatsgevonden van argumenten voor en tegen het gelasten van een enquête. Uit deze rechtsoverwegingen blijkt dat de ondernemingskamer oog heeft gehad voor het belang van Unilever dat geen enquête gelast zal worden doch dat de argumenten van de aandeelhouders naar het oordeel van de ondernemingskamer prevaleren boven de belangen, zoals deze door Unilever zijn aangevoerd. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Tot een nadere motivering was de ondernemingskamer niet gehouden (…).
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep
eerste klacht in het subonderdeel.
Althans is onbegrijpelijk het oordeel van het Hof in rov. 3.4-3.8 van Beschikking I en rov. 2.6-2.7 van Beschikking II, waarin het Hof constateert dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid maar niettemin, in plaats van de enquête te gelasten, (i) het OM en SMHHC/de vennootschapen een termijn van een half jaar geeft om te overleggen over de vorm en reikwijdte van het onderzoek bij SMHHC en de vennootschappen (rov. 3.4-3.8 van Beschikking I) en (ii) SMHHC en de vennootschappen gelegenheid geeft om zich uit te laten over hun eigen onderzoek naar het door het OM gestelde wanbeleid (rov. 2.6-2.7 van Beschikking II). Gegeven het spoedeisende karakter van de enquêteprocedure valt zonder nadere, ontbrekende motivering niet in te zien waarom het Hof op die momenten, gegeven het spoedeisende karakter van de enquêteprocedure, niet onmiddellijk (dus bij Beschikking I dan wel bij Beschikking II) is overgegaan tot het gelasten van de enquête. Dit is de
tweede klacht in het subonderdeel.
Ten aanzien van de beslissing in Beschikking II tot aanhouding om SMHHC en de vennootschappen de gelegenheid te geven om zich uit te laten over hun eigen onderzoek naar het door het OM gestelde wanbeleid geldt dit eens temeer in het licht van ‘s Hofs constatering in Beschikking II dat SMHHC en de vennootschappen zich ten aanzien van de door het OM gemaakte verwijten tot dat moment nogal passief opstellen (rov. 2.6). Bij die stand van zaken valt zonder nadere, ontbrekende toelichting al helemaal niet in te zien waarom, gelet op het spoedeisende karakter van de enquêteprocedure, geen enquête is gelast en is ’s Hofs oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Dit is de
derde klacht in het subonderdeel.
juistaan de onderzoekers geweest om onderzoek te doen en dit neer te leggen in een onderzoeksverslag en vervolgens aan het Hof om in de tweede fase van de enquêteprocedure op basis van dat onderzoek te beoordelen, of de gegronde twijfels aan een juist beleid, zoals vastgesteld in Beschikking I en Beschikking II, gegrond waren en, zo ja, eventuele voorzieningen te treffen.
Beschikking Ibij vervroeging en binnen een maand na de mondelinge behandeling (24 mei 2018). Onderdeel daarvan is de door het Hof getroffen voorlopige voorziening conform verzoek van het OM, bestaande uit schorsing van enig bestuurder [belanghebbende 22] vooralsnog voor de duur van het geding, met ingang van 24 mei 2018. In deze beschikking ziet het Hof tevens aanleiding zijn uitspraak ten aanzien van het door het OM verzochte onderzoek (en bepaalde door het OM verzochte voorlopige voorzieningen) aan te houden tot na een voortzetting van de zaak om de in rov. 3.7 uiteengezette redenen, te lezen in het licht ook van rov. 3.2-3.6. Dit al is sprake van gegronde redenen om aan een juist beleid bij de vennootschappen te twijfelen. Zie het citaat onder 2.5 hiervoor. Daarbij verwijst het Hof de zaak naar een circa zes maanden daarna gelegen roldatum (13 december 2018) voor de voortzetting van de mondelinge behandeling, voorafgegaan door een door partijen te nemen akte (ter rolzitting van 27 november 2018). De bedoeling daarvan is dat partijen zich dan uitlaten “over de vraag in hoeverre nadere maatregelen als hiervoor bedoeld zijn getroffen en wat hun dan actuele standpunt is ten aanzien van nut en noodzaak van de verzochte enquête” (rov. 3.8, terugvallend op rov. 3.7). Wat raakt aan de door het Hof te verrichten belangenafweging. Dit is vervolgens ook gebeurd door de vennootschappen en het OM. Niet lang daarna geeft het Hof Beschikking II (op 22 februari 2019).
Beschikking II, te lezen in het licht ook van rov. 2.1-2.6, moet worden bezien tegen die achtergrond van Beschikking I. Ik benadruk dat. Zie de citaten onder 2.5 en 2.7 hiervoor. Dit oordeel komt neer op een door het Hof aan de vennootschappen geboden ‘terme de grâce’ (laatste kans) om binnen een afgebakend tijdvak van enkele maanden nog weer verder werk te maken van het nader onderzoek en de maatregelen als bedoeld in rov. 2.7 van Beschikking II, aansluitend dus op Beschikking I. Zoals gezegd, dient rov. 3.7 van Beschikking I weer gelezen te worden in het licht ook van rov. 3.2-3.6 van deze beschikking. Dit samenstel van Beschikking I en II maakt ook duidelijk waarom het Hof hiervoor kiest in Beschikking II, in het verlengde van Beschikking I. [8] Daarbij verwijst het Hof in Beschikking II de zaak naar een circa vier maanden daarna gelegen roldatum (28 juni 2019) voor akte ter zake aan de zijde van de vennootschappen, de commissarissen en het Land, te volgen door een antwoordakte zijdens het OM op een nader te bepalen roldatum. Ook dit raakt aan de door het Hof te verrichten belangenafweging. De vennootschappen hebben een akte ingediend op 28 juni 2019. In reactie daarop heeft het OM een antwoordakte ingediend op 15 november 2019. Daarover hebben de vennootschappen zich uitgelaten bij akte van 17 januari 2020. Niet lang daarna geeft het Hof Beschikking III (14 februari 2020).
Beschikking IIImoet weer worden bezien tegen die achtergrond van Beschikking I en II. Ik benadruk ook dat. Zie de citaten onder 2.5, 2.7 en 2.9 hiervoor. Dit oordeel is ingegeven door de omstandigheid dat op 29 januari 2020, dus kort na de laatste akte (van 17 januari 2020), uitspraak is gedaan in de in Beschikking III bedoelde strafzaken. Daarbij verwijst het Hof de zaak naar een circa een maand daarna gelegen roldatum (20 maart 2020) voor akte zijdens de vennootschappen, de commissarissen en het Land, te volgen door een antwoordakte zijdens het OM op een nader te bepalen roldatum. De bedoeling daarvan is dat partijen zich dan uitlaten over deze nieuwe ontwikkeling, specifiek over “de voor deze zaak relevante consequenties die zij hebben verbonden aan deze uitspraken en de voor deze zaak relevante maatregelen die op die uitspraken zijn gevolgd.” Ook dit raakt aan de door het Hof te verrichten belangenafweging. Nadat enkele processuele ontwikkelingen hadden plaatsgevonden waarop het Hof wijst in rov. 1.1-1.4 van Beschikking IV, hebben de vennootschappen op 4 september 2020 een nadere akte ingediend en heeft het OM op die datum twee antwoordaktes genomen. Daarna hebben de vennootschappen bij e-mail van 7 september 2020 gereageerd op de eerste antwoordakte van het OM. Daarop heeft het OM geantwoord bij e-mail van 8 september 2020. Niet lang daarna geeft het Hof Beschikking IV (11 december 2020).
Beschikking IVkomt het Hof op basis van een belangenafweging tot afwijzing van het verzoek van het OM tot het bevelen van een onderzoek. Zie het citaat onder 2.11 hiervoor. Daarbij betrekt het onder meer de in rov. 2.2 en 2.7 bedoelde ontwikkelingen (aangebrachte verbeteringen binnen de vennootschappen) sinds Beschikking I en dat geen sprake is van aanwijzingen dat er meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen waren dan de enige bestuurder [belanghebbende 22] . Hij is in eerste aanleg strafrechtelijk veroordeeld tot onder meer 46 maanden gevangenisstraf en vervolgens door de vennootschappen ontslagen zonder vergoeding. De slotsom van het Hof komt erop neer dat wat al met al het zwaarste is, ook het zwaarste moet wegen: de door de vennootschappen aangevoerde belangen, daarin gesteund door het Land als aandeelhouder en door de (al dan niet gewezen) commissarissen. Alle betrokken belangen afwegende, komt het Hof tot het oordeel dat het niet opportuun is een onderzoek te bevelen. Daarom wijst het Hof het verzoek van het OM af. Ik kom hierop terug onder 3.13 hierna.
a. Nederland
OK) is pas bevoegd tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:355 BW Pro in verbinding met art. 2:356 BW Pro [15] in zo’n tweede procedure, nadat de eerste procedure is geëindigd met het verslag van het onderzoek en voor zover uit dat verslag blijkt dat er sprake is geweest van wanbeleid van de rechtspersoon. [16] De aan de OK gegeven bevoegdheid in zo’n eerste procedure een dergelijk onderzoek te bevelen is een discretionaire. [17] Daarmee wordt bedoeld dat bij de uitoefening van die bevoegdheid een afweging van de betrokken belangen moet plaatsvinden, met dien verstande dat ingevolge art. 2:350 lid 1 BW Pro voor toewijzing van een verzoek slechts plaats is wanneer blijkt van de daarin bedoelde “gegronde redenen”, etc. Daarbij geldt: [18]
NJ2006/173, Unilever). Een dergelijke motivering mag wel worden verlangd in geval van feiten of omstandigheden die (duidelijk) voor dan wel tegen toewijzing van het enquêteverzoek pleiten, en de ondernemingskamer desalniettemin tot een andersluidende beslissing komt.” [19]
welvaststelt dat ten aanzien van de desbetreffende rechtspersoon blijkt van zulke “gegronde redenen”, etc. [23] en ten aanzien van deze rechtspersoon een of meer van zulke onmiddellijke voorzieningen treft, maar
nietook zo’n onderzoek beveelt, want de verdere beslissing op het daartoe strekkende verzoek (resulterend in toe- of afwijzing daarvan, afhankelijk van de te verrichten belangenafweging) gericht aanhoudt gedurende een zekere periode?
M.i. leidt het gegeven dat art. 2:349a lid 1, eerste zin BW onderdeel is van dit wettelijke stelsel, en dat zo’n onderzoek de kern daarvan vormt, zonder méér niet al tot een ontkennende beantwoording van deze vraag. Evenmin wordt de uitkomst reeds anders als daarbij wordt gevoegd dat de OK deze aanhouding met het oog op genoemde reden een of meerdere keren verlengt bij vervolgbeschikking(en) en na een bepaalde periode bij eindbeschikking komt tot afwijzing van het verzoek tot het bevelen van zo’n onderzoek op basis van een daartoe strekkende belangenafweging. Dit een en ander maakt op zichzelf nog niet dat dit antwoord ‘dus’ neen dient te luiden. Daarvoor is meer vereist. Dit vergt dus ook een bredere beoordeling, met inachtneming van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarmee bepleit ik een zekere terughoudendheid bij het ontkennend beantwoorden van genoemde vraag.
Ik maak nog enkele opmerkingen over de onder (ii) bedoelde “redelijke termijn” waarbinnen de OK dan dient te beslissen op het enquêteverzoek. Dit wordt naar de aard telkens gekleurd door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Deze termijn bevat dus geen precieze, op voorhand gefixeerde temporele begrenzing. De enkele duur van deze termijn zoals aangehouden door de OK in een concreet geval [35] is dan ook niet bepalend voor het omslagpunt van een ‘redelijke’ termijn naar een ‘onredelijke’ termijn in dit verband. De beoordeling daarvan vergt een breder, contextueel perspectief. In dit verband is door de minister bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel opgemerkt dat hij ervan uitgaat dat door de OK “in de regel over het onderzoek wordt beslist op een termijn van enkele maanden na het treffen van de onmiddellijke voorzieningen”, met dien verstande dat “onder bijzondere omstandigheden die termijn echter ook langer [kan] zijn”. Bijvoorbeeld vanwege de mogelijkheid van een minnelijke regeling of onzekerheid over de financiering van het onderzoek. [36] Het bepaalde in art. 2:349a lid 1, eerste zin BW vormt voor dit een en ander dus niet op voorhand een beletsel. [37] Hetzelfde geldt voor het gegeven dat zo’n onderzoek de kern vormt van dit wettelijke stelsel.
b. Sint Maarten
Deze is afgestemd op de Nederlandse, (thans) in afdeling 2 (art. 344 e.v.) van titel 8 van Boek 2 BW opgenomen, (enquête)regeling zoals die eruitzag vanaf 1 januari 1971 tot 1 januari 2013.”
Blijkens de parlementaire geschiedenis van de wijziging van het wettelijke stelsel van het Sint Maartense enquêterecht per 20 november 2019 heeft de Sint Maartense wetgever eerst in dat kader kenbaar en bij herhaling ook gekeken naar het vanaf 1 januari 2013 geldende wettelijke stelsel van het Nederlandse enquêterecht. Een voorbeeld daarvan is het per 20 november 2019 gewijzigde art. 2:276 lid 2 BW Pro-SM. In de eerste zin daarvan is een met art. 2:349a lid 3, eerste zin BW vergelijkbare regeling opgenomen. [62] Daarover vermeldt de parlementaire geschiedenis: [63]
Gezien ook het voorgaande neem ik dus aan, naar besloten ligt in 3.8.1 hiervoor, dat de per 1 januari 2013 in art. 2:349a lid 3 BW verwoorde eisen met ingang van 1 april 2014 tevens onderdeel uitmaken van het wettelijke stelsel van het Sint Maartense enquêterecht met inbegrip van art. 2:276 BW Pro-SM. In welk stelsel dit vanaf 20 november 2019 deels is geëxpliciteerd met art. 2:276 lid Pro 2, eerste zin BW-SM. Daarmee is er een wenselijk te achten samenloop op dit punt tussen beide wettelijke stelsels. [66]
Terug naar subonderdelen 1.1 en 1.2
eerste klacht in subonderdeel 1.1al uitgaat van een juiste lezing van Beschikking I t/m IV en daarmee feitelijke grondslag heeft (zie onder 3.3 hiervoor), volgt uit 3.4-3.8.3 hiervoor dat wat de klacht aanvoert m.i. nog niet de conclusie rechtvaardigt dat het Hof daarin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting als bedoeld in de klacht. Dit wordt niet anders doordat de onderhavige periode een meerjarige en dus in absolute termen geen korte is, want tegen de tweeënhalf jaar beloopt tussen Beschikking I en Beschikking IV (of circa drie jaar als wordt gerekend vanaf de aanvang van de enquêteprocedure). De door mij voorgestane terughoudende opstelling ter zake staat daaraan in de weg. Iets anders voert de klacht niet aan. In het bijzonder lees ik daarin niet nader waarom hetgeen het Hof specifiek ten grondslag legt in Beschikking I t/m IV aan de in dit geval gevolgde koers deze koers met inbegrip van genoemde tijdverloop niet zou kunnen rechtvaardigen (overschrijding van een redelijke termijn zou opleveren), blijk gevend van een onjuiste rechtsopvatting. Overigens valt dit wat mij betreft zonder méér ook niet in te zien. Daarbij betrek ik dat het in de wet (Boek 2 BW-SM) vastgelegde stelsel van het Sint Maartense enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon, in het onderhavige geval dus dat van de vennootschappen. De mogelijkheden waarin dit stelsel voorziet, dienen steeds dat belang en vervullen een belangrijke rol voor de doeltreffendheid van dit stelsel. Dit houdt het Hof dus scherp voor ogen in Beschikking I t/m IV, waarin het ook kenbaar zelf regie voert ten aanzien van de voortgang van de zaak en beslissing op het enquêteverzoek van het OM. [68] Daarbij betrek ik verder dat door het OM in cassatie niet is aangevoerd dat hij of een andere partij voorafgaand aan Beschikking I dan wel volgend op Beschikking I, II en/of III het Hof heeft verzocht op kortere termijn dan kenbaar en gericht door het Hof aangehouden op zijn enquêteverzoek te beslissen.
subonderdeel 1.2, eveneens een rechtsklacht. Het Hof stelt zich in Beschikking I t/m IV niet feitelijk op als onderzoeker, als ware het een onderzoeker in het door het OM verzochte onderzoek om openheid van zaken te krijgen bij de vennootschappen over het verleden (ten aanzien waarvan het Hof in Beschikking I gegronde redenen om een juist beleid te twijfelen vaststelt). Dus een onderzoeker die de bevindingen van het verrichte onderzoek neerlegt in een onderzoeksverslag, op basis waarvan het Hof desverzocht in de tweede fase van een enquêteprocedure kan beoordelen of sprake is van wanbeleid en eventueel voorzieningen kan treffen.
Beschikking I en II, voor zover relevant in cassatie, is door een gerichte aanhouding van de zaak de vennootschappen gelegenheid bieden voort te gaan met het treffen en afronden van maatregelen ter verbetering van het beleid en de gang van zaken bij de vennootschappen en tot het treffen van maatregelen om de gevolgen van eerder gevoerd onjuist beleid zoveel mogelijk ongedaan te maken of te beperken. Gevolgd door een partijdebat over de uitkomst daarvan in het licht van het actuele “nut en noodzaak” van dat door het OM verzochte onderzoek, inclusief een voortgezette mondelinge behandeling van de zaak na Beschikking I. Wat raakt aan de door het Hof te verrichten belangenafweging bij het beslissen over toe- of afwijzing van dit enquêteverzoek. Zie onder 3.3 hiervoor. Dat is iets anders dan het zich feitelijk in de plaats stellen van zo’n onderzoeker door het Hof als bedoeld in het subonderdeel.
Beschikking IIIis, in het verlengde van Beschikking I en II, de zaak gericht nader aanhouden. En wel om zich te laten voorlichten door partijen over de voor deze zaak relevante consequenties die zij hebben verbonden aan de in Beschikking III bedoelde strafrechtelijke uitspraken van begin 2020, daterend van kort voor Beschikking III, en de voor deze zaak relevante maatregelen die op deze uitspraken zijn gevolgd. Wat wederom raakt aan deze door het Hof te verrichten belangenafweging. Zie onder 3.3 hiervoor. Ook dat is iets anders dan het zich feitelijk in de plaats stellen van zo’n onderzoeker door het Hof.
Beschikking IVis beslissen over dit enquêteverzoek van het OM, met inachtneming van Beschikking I en de daaropvolgende gang van zaken, inclusief Beschikking II en III alsmede het partijdebat. Met als centrale punt deze door het Hof te verrichten belangenafweging. Zie onder 3.3 hiervoor. Ik val in herhaling, maar niettemin: ook dat is iets anders dan het zich feitelijk in de plaats stellen van zo’n onderzoeker door het Hof.
tweede en derde klacht in subonderdeel 1.1. Deze motiveringsklachten lopen eveneens vast. Zoals ook volgt uit 3.3 hiervoor blijkt uit Beschikking I en Beschikking II (te bezien tegen de achtergrond van Beschikking I, dus niet geïsoleerd) genoegzaam
waaromhet Hof ten tijde van deze respectieve beschikkingen “niet onmiddellijk” overgaat tot het bevelen van een onderzoek zoals verzocht door het OM, niettegenstaande art. 2:274 lid Pro 1, eerste zin BW-SM (“Het Hof behandelt het verzoek met de meeste spoed”). Het vergde geen nadere toelichting van het Hof om dat afdoende te kunnen inzien. Daarbij betrek ik dat, naar het Hof daar onderkent, art. 2:274 lid Pro 1, eerste zin BW-SM onverlet laat dat het Hof in een enquêteprocedure soms niet “met de meeste spoed” tot een beslissing op een enquêteverzoek hoeft te komen. Uitzonderingen zijn denkbaar, en niet slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen. Zie onder 3.4-3.8.3 hiervoor. Wat hier dus aan de orde is, naar het voldoende (begrijpelijk) gemotiveerde oordeel van het Hof in Beschikking I en II. Voor zover de klachten al uitgaan van een juiste lezing van Beschikking I en II en daarmee feitelijke grondslag hebben, zien deze aan het voorgaande voorbij. Zie overigens 3.9.1-3.9.2 hiervoor.
eerste klacht in het subonderdeel.
Althans is zijn oordeelsvorming in rov. 2.7 van Beschikking IV onbegrijpelijk, nu het Hof geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang waarom het belang van openheid van zaken, bij gebreke van die openheid, niet tot het gelasten van een enquête kan leiden omdat er volgens het Hof thans, na een procedure van drie jaar, sprake zou zijn van verbeteringen binnen de onderneming (die niet zien op opening van zaken, zie rov. 2.2 en 2.7 van Beschikking IV). Dit is de
tweede klacht in het subonderdeel.
eerste klacht in het subonderdeel.
Althans is zijn oordeelsvorming in rov. 2.5-2.8 van Beschikking IV onbegrijpelijk, nu het Hof geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang waarom het belang van openheid van zaken niet tot het gelasten van een enquête kan leiden op grond van een belangenafweging, dan wel minder zwaar weegt dan de door de vennootschappen aangevoerde belangen (als vermeld in rov. 2.6 van Beschikking IV). Dit is de
tweede klacht in het subonderdeel.
Voorts heeft het Hof miskend dat het door het OM naar voren gebrachte openbaar belang bij openheid van zaken door middel van de verzochte enquête rechtens een bijzondere grond vormt om de enquête te gelasten, zodat zijn oordeel ook om die reden rechtens onjuist moet worden geacht. [71] Dit is de
derde klacht in het subonderdeel.
Althans is zijn oordeelsvorming in rov. 2.5-2.8 van Beschikking IV onbegrijpelijk, nu het Hof geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang waarom het door het OM onderbouwd aangevoerde openbaar belang van opening van zaken in deze voor de gemeenschap van Sint Maarten zo belangrijke vennootschappen niet tot het gelasten van een enquête kan leiden, dan wel minder zwaar weegt dan de door de vennootschappen aangevoerde belangen (als vermeld in rov. 2.6 van Beschikking IV). Dit is de
vierde klacht in het subonderdeel.
eerste klacht in het subonderdeel.
Althans is dat oordeel onbegrijpelijk nu zonder nadere, ontbrekende motivering niet valt in te zien waarom dergelijke verbeteringen het openbare belang van opening van zaken omtrent het verleden teniet zouden doen, dan wel dat dit belang minder zwaar weegt dan de door de vennootschappen aangevoerde belangen (als vermeld in rov. 2.6 van Beschikking IV). Dit is de
tweede klacht in het subonderdeel.
Ook voor zover het Hof in rov. 2.7 van Beschikking IV zou hebben geoordeeld dat het OM onvoldoende belang zou hebben bij zijn enquêteverzoek, nu de huidige situatie bij SMHHC en de vennootschappen (ten tijde van het wijzen van Beschikking IV door het Hof) geen gegronde redenen meer zou geven om aan een juist beleid te twijfelen, geldt dat zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Ook die constatering laat het belang van het OM en de gemeenschap van Sint Maarten bij opening van zaken omtrent het verleden onverlet, temeer gegeven het feit dat het Hof meermaals heeft geconstateerd dat deze gegronde redenen wel aanwezig waren ten tijde van het indienen van het enquêteverzoek door het OM (vgl. Beschikking I (rov. 3.4) en Beschikking II (rov. 2.6)). Dit is de
derde klacht in het subonderdeel.
Althans is dat oordeel van het hof zonder nadere, ontbrekende toelichting onbegrijpelijk. Dit is de
vierde klacht in het subonderdeel.
Aan het belang van openheid van zaken doet ten slotte evenmin af, anders dan het Hof in rov. 2.7 van Beschikking IV lijkt te menen, dat uit strafrechtelijk onderzoek binnen de vennootschap geen indicatie zou volgen dat sprake is van meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen dan reeds geïdentificeerd. De omstandigheid dat ook andere onderzoeken zijn ingesteld, doet niet af aan het belang van het OM tot het gelasten van een enquête. [72] Voor zover het hof een andersluidende beslissing heeft gegeven, geldt dat zijn oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is gemotiveerd. Dit is de
vijfde klacht in het subonderdeel.
Nadere blik op Beschikking IV
Door de aangebrachte verbeteringen binnen de vennootschappen blijkt, indien de huidige situatie (dus ten tijde van Beschikking IV) geïsoleerd wordt beschouwd, thans niet van gegronde redenen om aan een juist beleid bij de vennootschappen te twijfelen.(Voor die verbeteringen verwijst het Hof naar rov. 2.2 van Beschikking IV. Gezien ook dat gehanteerde perspectief van de huidige situatie (thans) en het vervolg van rov. 2.7, doelt het Hof met die verbeteringen wat betreft enig bestuurder [belanghebbende 22] in het bijzonder op zijn ontslag door de vennootschappen na diens strafrechtelijke veroordeling in eerste aanleg tot onder meer 46 maanden gevangenisstraf. Dit naast: de benoeming van twee nieuwe bestuurders; het aantreden van een nieuwe - voltallige - RvC; de invoering van een klokkenluidersregeling; de benoeming van een
legal and compliance officeren een ombudsman/vertrouwenspersoon; de lopende pogingen door de vennootschappen de daar bedoelde schade te verhalen; en het in zicht lijken te zijn van een uitkering door de verzekeraar van de vennootschappen.)
De mogelijkheid dat wederom een misstand ontstaat in de haven van Sint Maarten is daartoe onvoldoende.(Dit slaat terug op die vaststelling van het Hof dat door de aangebrachte verbeteringen binnen de vennootschappen, indien de huidige situatie geïsoleerd wordt beschouwd, thans niet blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid bij de vennootschappen te twijfelen.)
Door het Hof is op de eerste zitting gevraagd of er aanwijzingen waren van meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen dan de enige bestuurder [belanghebbende 22] , die later in eerste aanleg strafrechtelijk is veroordeeld tot onder meer 46 maanden gevangenisstraf (ECLI:NL:OGEAC:2020:23) en vervolgens door de vennootschappen is ontslagen zonder vergoeding. Daarop kwam geen antwoord.(Op die veroordeling en dat ontslag wijst het Hof dus ook in rov. 2.2 van Beschikking IV.)
Uit de strafzaken- [… 3] blijkt van omkoping van een politicus (ECLI:NL:OGEAC:2020:24) en in de strafzaken- [… 4] eveneens (ECLI:NL:OGEAM:2020:39). Maar die zaken zijn in de onderhavige enquêteprocedure slechts zijdelings aan de orde geweest en niet is aangevoerd dat uit de strafzaken is gebleken van meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen.(Deze strafzaken zijn andere dan de strafzaak- [belanghebbende 22] (ECLI:NL:OGEAC:2020:23), waarop het Hof ook al wijst in rov. 2.1 van Beschikking III.)
Het Hof is overigens, indien wordt uitgegaan van de door het OM gestelde integriteitsproblemen binnen de Sint Maartense overheidsbedrijven, minder optimistisch dan het OM dat de drie te benoemen onderzoekers een panacee zouden vinden, of dat hun bevindingen tot betekenisvolle maatregelen zouden leiden. In het geval van de Curaçaose overheidsvennootschappen (ECLI:NL:OGHACMB:2017:38, NJ 2019/395) lijkt daarvan geen sprake te zijn geweest.(Blijkens het voorgaande gaat het Hof dus ervan uit dat er geen aanwijzingen zijn van meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen dan de enige bestuurder [belanghebbende 22] .)
eerste klacht in subonderdeel 2.1miskent wat het Hof doet in Beschikking IV en is gebaseerd op een opvatting die geen steun vindt in het recht. Blijkens rov. 2.1-2.8 van deze beschikking baseert het Hof de afwijzing van het verzoek van het OM tot het bevelen van een onderzoek in de zin van art. 2:271 BW Pro-SM niet alleen erop dat door de aangebrachte verbeteringen binnen de vennootschappen, indien de huidige situatie geïsoleerd wordt beschouwd, thans niet blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid bij de vennootschappen te twijfelen (rov. 2.7, eerste zin). Evenmin ziet het Hof daarin voorbij aan het door het OM onderstreepte openbare belang om openheid van zaken te krijgen bij de vennootschappen over het verleden via het verzochte onderzoek, waarop het Hof ook wijst in rov. 2.3 en 2.5 en wat het Hof ook verdisconteert in rov. 2.7-2.8. Daaraan doet niet af dat het Hof dit door het OM onderstreepte belang om openheid van zaken te krijgen bij de vennootschappen niet nog eens met zoveel woorden benoemt in rov. 2.7-2.8. Daarin respondeert het Hof wel ook op hetgeen door het OM ter zake naar voren is gebracht. Daarin doelt het Hof met “Alle belangen afwegende”, etc. in rov. 2.8 ook op die door het OM aangedragen belangen. Daarbij verliest het Hof niet uit het oog, gezien ook rov. 2.4, dat verkrijging van openheid van zaken een zelfstandig doeleinde is van het in de wet (Boek 2 BW-SM) vastgelegde stelsel van het Sint Maartense enquêterecht waaraan relevantie toekomt bij de onderhavige belangenafweging. Anders dan de klacht nog aanvoert, resulteert het achterwege blijven van deze door het OM gewenste openheid van zaken via het verzochte onderzoek niet erin dat thans ‘dus’ wel blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid bij de vennootschappen te twijfelen, indien de huidige situatie geïsoleerd wordt beschouwd. Een dergelijk verband bestaat rechtens niet. Kortom, de door de klacht bedoelde onjuiste rechtsopvatting van het Hof doet zich in werkelijkheid niet voor.
eerste klacht in subonderdeel 2.2, eveneens een rechtsklacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hetzelfde lot treft de
derde klacht in subonderdeel 2.2, eveneens een rechtsklacht. Daarbij teken ik aan dat, gelet ook op rov. 3.1 van Beschikking I (de verwijzing daarin naar art. 2:272 lid 2 BW Pro-SM) en rov. 2.5 van Beschikking IV (mede over de stelling van het OM dat er integriteitsproblemen zijn binnen de Sint Maartense overheidsbedrijven), het Hof onderkent dat het OM steeds bevoegd is een enquêteverzoek te doen en hier ook doet om redenen van openbaar belang. Verder blijkt nergens uit dat het Hof in Beschikking IV eraan voorbijziet dat “redenen van openbaar belang, indien zij juist gebleken zijn, een bijzondere grond voor het houden van een onderzoek [kunnen] vormen naast andere gronden die eveneens tot het instellen van een onderzoek hebben kunnen leiden.” [75] Dát is wat te lezen valt in de De Vries Robbé-beschikking van de Hoge Raad waarop de klacht een beroep doet. [76] Daarbij verdient nog opmerking dat in het onderhavige geval het OM de enige partij is die verzoekt om een onderzoek. Welk verzoek van het OM het Hof dus afwijst op basis van een belangenafweging in rov. 2.2-2.8 van Beschikking IV, met inachtneming van het daarvoor geldende juridische kader. Van enig ander bevolen onderzoek is in de onderhavige zaak geen sprake.
Hetzelfde geldt voor de
eerste klacht in subonderdeel 2.3, eveneens een rechtsklacht. Daarbij teken ik aan dat het Hof in Beschikking IV niet oordeelt dat “de aangebrachte verbeteringen bij de vennootschappen voor de toekomst (…) het (openbare) belang van het OM tot het verkrijgen van openheid van zaken door het gelasten van een enquête teniet zouden doen”, anders dan de klacht veronderstelt. Wel betrekt het Hof daar bij de belangenafweging onder meer de in rov. 2.7, eerste zin bedoelde omstandigheden in combinatie met de in rov. 2.6 genoemde, door de vennootschappen aangevoerde belangen (daarin gesteund door het Land als aandeelhouder en de (al dan niet gewezen) commissarissen, zie rov. 2.8). En die belangenafweging valt blijkens rov. 2.8 dus in het nadeel van het OM uit, nu naar het oordeel van het Hof alle belangen afwegende die door de vennootschappen aangevoerde belangen “het zwaarst [wegen]”.
In het voetspoor daarvan loopt ook vast de
derde klacht in subonderdeel 2.3, eveneens een rechtsklacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Tot slot mist ook doel de
vijfde klacht in subonderdeel 2.3, die naast een rechtsklacht een motiveringsklacht bevat. Het Hof overweegt in rov. 2.7 van Beschikking IV immers niet dat het OM onvoldoende belang heeft bij zijn enquêteverzoek omdat “uit strafrechtelijk onderzoek binnen de vennootschap geen indicatie zou volgen dat sprake is van meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen dan reeds geïdentificeerd”, vanwege “[d]e omstandigheid dat ook andere onderzoeken zijn ingesteld”. Wat het Hof daar wel doet, in het kader van zijn bredere beoordeling in rov. 2.2-2.8, is onder meer betrekken dat de daar bedoelde strafzaken in de onderhavige procedure slechts zijdelings aan de orde zijn geweest. En dat niet is aangevoerd dat uit de strafzaken is gebleken van meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen (zoals de zonder vergoeding ontslagen enige bestuurder [belanghebbende 22] ). Dat is iets anders.
De
tweede klacht in subonderdeel 2.1ziet eraan voorbij dat het Hof in rov. 2.2-2.8 van Beschikking IV de belangenafweging dus niet louter in het voordeel van de door de vennootschappen aangevoerde belangen en het nadeel van de door het OM aangevoerde belangen laat uitvallen omdat er “thans, na een procedure van drie jaar, sprake zou zijn van verbeteringen binnen de onderneming”. Zoals volgt uit 3.13 hiervoor, en gezien ook de Hoge Raad-rechtspraak die het Hof noemt in rov. 2.4 van Beschikking IV, wordt uit rov. 2.2-2.8 aldaar afdoende duidelijk waarom het Hof de belangenafweging aldus verricht. Daarbij verdient nog opmerking dat het Hof aldaar kenbaar doorslaggevende betekenis toekent aan het volgende:
In het voetspoor daarvan stranden ook de
tweede en vierde klacht in subonderdeel 2.2, de
tweede klacht in subonderdeel 2.3en
subonderdeel 2.4. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Tot slot loopt ook de
vierde klacht in subonderdeel 2.3vast, reeds omdat daarin niet wordt uiteengezet waarom het bestreden oordeel van het Hof in Beschikking IV zonder nadere, ontbrekende toelichting onbegrijpelijk zou zijn. Wat het dus ook niet is.
Subonderdeel 2.5
subonderdeel 2.5. Dit klaagt dat de oordeelsvorming van het Hof in rov. 2.5-2.8 van Beschikking IV bovendien rechtens onjuist is, dan wel onbegrijpelijk, in zoverre het hof in rov. 2.7 van Beschikking IV aan zijn oordeel ten grondslag legt dat niet is gebleken van meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen dan (ex-)bestuursvoorzitter [belanghebbende 22] . Het Hof baseert die constatering op een vraag die het tijdens de eerste zitting (d.d. 24 mei 2018) in deze procedure aan het OM zou hebben voorgelegd. Volgens het Hof luidde die vraag of er aanwijzingen waren van meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen dan ex-bestuurder [belanghebbende 22] , op welke vraag volgens het Hof geen antwoord zou zijn gekomen. Deze constatering is niet gestoeld op enig proces-verbaal of zittingsverslag, aangezien dat, ook na een daartoe strekkend verzoek van het OM, überhaupt niet is opgemaakt. [77] Dit oordeel is rechtens onjuist, want in strijd met “artikel 46 Rv Pro”. Artikel 46 lid 1 Rv Pro schrijft voor dat de griffier proces-verbaal opmaakt, waarin krachtens het tweede lid van art. 46 Rv Pro “al het ter terechtzitting voorgevallene” wordt vermeld. In dit geval is geen proces-verbaal opgemaakt, zelfs niet nadat het OM het Hof daarom verzocht. [78] Dit is de
eerste klacht in het subonderdeel.
Overigens is de door het Hof genoemde vraag naar de vaste overtuiging van het OM op geen enkele zitting aan de orde is geweest. De gedingstukken wijzen bovendien op het tegendeel: het OM heeft steevast benadrukt dat heel wel sprake kan zijn van meer 'rotte appels’, onder meer door aan te voeren dat de problematiek binnen de Haven structureler is dan slechts een in ongenade gevallen directeur (waarmee gedoeld wordt op [belanghebbende 22] ) en dat een enquête juist noodzakelijk is om te achterhalen wat de werkelijke omvang van het vermoede wanbeleid is. Daarbij heeft het OM specifiek de naam [betrokkene 3] als veroorzaker van wanbeleid genoemd. [79] Ook heeft het OM de naam van [betrokkene 1] , lid van het interim-bestuur van SMHHC, als mogelijke veroorzaker van wanbeleid genoemd. [80] Bovendien heeft het OM in bredere zin gesteld dat [belanghebbende 22] slechts een exponent van een diepgeworteld probleem binnen SMHHC en de vennootschappen is en dat uit onderzoeken is gebleken dat ook anderen met een formele functie in de Haven wanbeleid konden plegen. [81] Nu het Hof Beschikking IV baseert op een voorval ter zitting waarvan het proces-verbaal (dat er niet is) geen bevestiging inhoudt en de overige gedingstukken op het tegendeel duiden, ontbreekt enige grondslag voor de vaststelling van het Hof dat niet zou zijn gebleken van ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen, zodat zijn oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd. [82] Dit is de
tweede klacht in het subonderdeel.
Althans is het oordeel, dat niet is gebleken van meer 'rotte appels' bij SMHHC en de vennootschappen dan ex-bestuurder [belanghebbende 22] , in ieder geval ontoereikend gemotiveerd gelet op de hiervoor genoemde, door het OM ingenomen essentiële stellingen ten aanzien van de vraag of sprake was van meer ‘rotte appels’ binnen SMHHC en de vennootschappen dan alleen [belanghebbende 22] . [83] Dit is de
derde klacht in het subonderdeel.
Ten slotte is deze oordeelsvorming rechtens onjuist, want in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. [84] Het OM wordt eerst in Beschikking IV geconfronteerd met dit door het Hof op basis van een voorval ter zitting in 2018 vastgesteld feit, zonder enige vastlegging van dat feit in een proces-verbaal of zittingsverslag. Het OM heeft zich daardoor niet kunnen uitlaten over dit door het Hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde feit, terwijl de door het Hof bedoelde vraag naar de stellige overtuiging van het OM niet ter zitting aan het OM is voorgelegd. Bovendien is dit oordeel van het Hof in cassatie bij gebreke van een proces-verbaal niet afdoende verifieerbaar. Dit is de
vierde klacht in het subonderdeel.
eerste klacht in het subonderdeelervan uitgaat dat het Hof de daarin bedoelde “constatering” in rov. 2.7 van Beschikking IV niet kon doen nu deze niet is gestoeld op een proces-verbaal (zittingsverslag) en aldus blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, strandt de klacht omdat de daarin voorgestane opvatting geen steun vindt in het recht. De rechter is in beginsel vrij vaststellingen inzake het ter zitting verhandelde aan zijn beslissing ten grondslag te leggen, ook al is dit niet in een proces-verbaal van de zitting vastgelegd. Dit sluit aan op vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de vaststelling van hetgeen door of namens partijen ter zitting is verklaard of aangevoerd, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en daarom in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht, terwijl de rechter bij de vaststelling in zijn uitspraak van het ter zitting verhandelde niet aan de inhoud van het proces-verbaal is gebonden, zodat een verschil tussen de inhoud van het proces-verbaal en de overweging van de rechter waarop de beslissing steunt, deze laatste niet zonder méér onbegrijpelijk maakt. [85] Dit laat zich, mede gelet op het in art. 39 van Pro het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden verankerde concordantiebeginsel, ook in de onderhavige zaak toepassen.
Voor zover de klacht ervan uitgaat dat de aangevoerde onjuiste rechtsopvatting van het Hof erin schuilt dat het Hof in strijd met art. 46 van Pro het Sint Maartense Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna:
Rv-SM) geen proces-verbaal heeft opgemaakt van de zitting van 24 mei 2018, zelfs niet nadat het OM het Hof daarom verzocht, kan dit het OM evenmin baten. Als al gezegd zou kunnen worden dat het Hof in strijd met art. 46 Rv Pro-SM dat proces-verbaal niet heeft opgemaakt, [86] valt in het licht van het voorgaande, art. 46 Rv Pro-SM en genoemd concordantiebeginsel [87] aan te nemen dat daarop geen hier relevante sanctie staat in termen van het aanmerken van het bestreden oordeel van het Hof in rov. 2.7 van Beschikking IV als rechtens onjuist. [88] Laat staan van een zelfstandige grond voor vernietiging van Beschikking I, II, III en/of IV.
tweede klacht in het subonderdeelverder nog aanvoert, is het niet zo dat de door de klacht genoemde stellingen met vindplaatsen in de gedingstukken geen andere conclusie toelaten dan dat deze op het tegendeel wijzen. Dus dat “het OM steevast [heeft] benadrukt dat heel wel sprake kan zijn van meer ‘rotte appels’”, zoals deze term door het Hof wordt gebruikt in die rov. 2.7. Dat het Hof blijkens die rov. 2.7 deze gedingstukken niet zo uitlegt, is niet onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik dat het Hof daar doelt op “meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen dan de enige bestuurder [belanghebbende 22] , die later in eerste aanleg strafrechtelijk is veroordeeld tot 46 maanden gevangenisstraf (…) en door de vennootschappen is ontslagen zonder vergoeding.” Het Hof heeft daar dus het oog op afdoende concrete aanwijzingen dat er personen binnen de vennootschappen zijn die zich in zoverre, als ‘rotte appel’, [89] laten vergelijken met de enige bestuurder [belanghebbende 22] . [90] Dáártoe strekkende stellingen zijn niet ingenomen naar aanleiding van zijn vraag ter zitting van 24 mei 2018, aldus het Hof aldaar. Daarop wijst nog niet hetgeen zijdens het OM is aangevoerd blijkens de door de klacht genoemde stellingen met vindplaatsen in de gedingstukken, ook niet in onderling(e) verband en samenhang bezien. Dit komt immers neer op het volgende:
derde klacht in het subonderdeel, voor zover al te onderscheiden van de tweede klacht in het subonderdeel. Dit behoeft geen verdere toelichting.
vierde klacht in het subonderdeelloopt spaak. Aan de - in cassatie niet met vrucht bestreden - vaststelling van het Hof in rov. 2.7 van Beschikking IV dat op de eerste zitting is gevraagd naar de daar bedoelde aanwijzingen is inherent dat dit reeds toen in de onderhavige procedure ook aan het OM is voorgelegd en dat ook het OM zich daarover vervolgens in de onderhavige procedure heeft kunnen uitlaten. Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat het bestreden oordeel van het Hof in Beschikking IV rechtens onjuist is, want in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. [96] Gezien ook 3.17.1-3.17.3 hiervoor doet daaraan niet af wat de klacht tot slot nog opmerkt (dus dat volgens het OM de door het Hof bedoelde vraag niet ter zitting aan het OM is voorgelegd en dat dit oordeel van het Hof zich niet afdoende laat verifiëren bij gebreke van een proces-verbaal van die eerste zitting).
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele cassatieberoep
andconviction [in genoemd strafvonnis, A-G] for fraud and embezzlement in the capacity as Managing Director,