ECLI:NL:PHR:2007:BB4962
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening veroordeling wegens ongewenst verblijf na opheffing ongewenstverklaring
De aanvrager, een Britse staatsburger, werd op 26 juli 2006 veroordeeld wegens verblijf in Nederland als ongewenst vreemdeling op grond van artikel 197 Sr Pro. Kort daarna heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de ongewenstverklaring opgeheven, gegrond op Richtlijn 2004/38/EG, die het recht van vrij verkeer en verblijf van EU-burgers regelt. Deze richtlijn vereist dat een vreemdeling alleen ongewenst verklaard kan worden indien zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de samenleving.
De Hoge Raad oordeelt dat de opheffing van de ongewenstverklaring door de IND terugwerkende kracht heeft tot de datum van inwerkingtreding van de richtlijn (29 april 2006). Hierdoor vervalt het oorspronkelijke besluit tot ongewenstverklaring geheel. Dit leidt tot het ernstige vermoeden dat de politierechter, indien hij van deze opheffing op de hoogte was geweest, de aanvrager niet had veroordeeld.
De Hoge Raad verklaart daarom de aanvraag tot herziening van het vonnis gegrond, beveelt zo nodig opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor herbehandeling. Hiermee wordt de rechtsbescherming van de aanvrager gewaarborgd in het licht van gewijzigde omstandigheden en Europese regelgeving.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak voor herbehandeling naar het Gerechtshof Amsterdam.