ECLI:NL:HR:2007:BB4962
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Herziening veroordeling wegens ongewenst verblijf na opheffing ongewenstverklaring
De aanvrager, geboren in Groot-Brittannië, werd op 26 juli 2006 door de Politierechter veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens verblijf in Nederland als ongewenst vreemdeling. Kort daarna werd de ongewenstverklaring door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opgeheven. Deze opheffing volgde op de implementatie van Richtlijn 2004/38/EG, die het recht op vrij verkeer en verblijf van EU-burgers regelt.
De opheffing van de ongewenstverklaring door de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie vond plaats bij beschikking van 26 oktober 2006, waarin werd overwogen dat de aanvrager geen actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormde voor fundamentele belangen van de samenleving. Hoewel niet expliciet vermeld, moet de opheffing worden geacht terugwerkende kracht te hebben tot 29 april 2006, de datum van inwerkingtreding van de Richtlijn in Nederlandse wetgeving.
De Hoge Raad oordeelt dat, indien de Politierechter op de hoogte was geweest van deze beschikking en de daarin vervatte overwegingen, de aanvrager waarschijnlijk vrijgesproken zou zijn. De Hoge Raad verklaart daarom de herzieningsaanvraag gegrond, beveelt zo nodig opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor herbehandeling en afdoening conform artikel 467, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herziening gegrond en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor herbehandeling.