ECLI:NL:HR:2006:AZ0248
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens opheffing ongewenstverklaring na veroordelingen
De aanvrager was bij beschikking van 28 november 2002 tot ongewenst vreemdeling verklaard en is daarop meerdere malen veroordeeld voor het verblijven in Nederland terwijl hij wist dat hij ongewenst was verklaard. De aanvragen tot herziening betreffen arresten en vonnissen van het Gerechtshof en de Politierechter die in kracht van gewijsde zijn gegaan.
De aanvrager stelde dat de veroordelingen niet zouden hebben plaatsgevonden indien het Hof en de Politierechter bekend waren geweest met een beschikking van 13 december 2005 waarin de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie de ongewenstverklaring van de aanvrager opheft. Deze beschikking trad in werking op de datum van bekendmaking, 13 december 2005.
De Hoge Raad oordeelt dat de opheffing van de ongewenstverklaring niet met terugwerkende kracht geldt en pas na de bestreden uitspraken is ingegaan. Hierdoor betreft het geen nieuwe feitelijke omstandigheid die tot herziening kan leiden volgens art. 457 Sv Pro. De aanvragen tot herziening zijn daarom kennelijk ongegrond en worden afgewezen.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 17 oktober 2006.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het herzieningsverzoek af omdat de opheffing van de ongewenstverklaring pas na de veroordelingen is ingegaan.