ECLI:NL:PHR:2007:BB6200
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor wegens onvoldoende belang en zwakke materiële rechtspositie
In deze zaak hebben verzoekers een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor om feiten vast te stellen omtrent een geschil met ING Bank over beleggingsschade. Het verzoek werd door de rechtbank en het hof afgewezen vanwege het ontbreken van een voldoende concreet belang en een te zwakke materiële rechtspositie van verzoekers.
Verzoekers stelden dat zij de vaststellingsovereenkomst onder dwang hadden getekend en dat zij nog aanspraken hadden op grond van onrechtmatige daad. Het hof oordeelde echter dat verzoekers onvoldoende feiten hadden aangevoerd die het belang bij het getuigenverhoor rechtvaardigen en dat de vaststellingsovereenkomst een algehele en finale kwijting bevatte.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het verzoek niet voldoet aan de wettelijke vereisten, mede gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en het ontbreken van concrete onderbouwing van dwang. Ook is het verzoek te vaag geformuleerd. Het beroep wordt verworpen en de kosten worden aan verzoekers opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen vanwege onvoldoende belang en een te zwakke materiële rechtspositie.