Conclusie
1.Feiten
hof) stelt in zijn bestreden beschikking van 27 mei 2021 [1] (hierna: de
beschikking) geen feiten vast onder een daartoe strekkend opschrift. Wel bevat de beschikking een weergave van de door [verzoeker] (hierna:
[verzoeker]) aan zijn verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor in hoger beroep ten grondslag gelegde stellingen en van het daartegen door [verweerster 2] B.V. (hierna:
[verweerster 2]) en [verweerster 3] B.V. (hierna met [verweerster 2] :
[verweerders]) gevoerde verweer:
3. De beoordeling(…)
Dit is van groot belang ten aanzien van de (verkoop)waarde.Hiermee was door de gemeente bij het opstellen van het buurtplan echter geen rekening gehouden en [verzoeker] heeft hiertegen dan ook bezwaar gemaakt. Aanvankelijk ziet de gemeente dit bezwaar over het hoofd. Hierop vraagt de gemeente [verzoeker] in te stemmen met een compromis waarbij een lijn wordt uitgestippeld waarbinnen zijn eigendom zich bevindt, zodanig dat de herinrichtingsplannen gewaarborgd zijn. Nu [verzoeker] de betrokken partijen aan deze gemaakte afspraken herinnert weet niemand ergens meer van. Het lijkt wel of alle wederpartijen bang zijn voor de waarheid. [verzoeker] heeft duidelijk aangegeven waar het om gaat en wat zijn belang is. Vanuit de loopgraven is het gemakkelijk voor alle wederpartijen om simpelweg te ontkennen en daarom is een confrontatie geïndiceerd.
[verweerster 2] en [verweerster 3] geven aan dat dit al de zesde procedure is die [verzoeker] in deze kwestie heeft aangespannen. Bovendien heeft [verzoeker] geen enkel belang bij deze procedure, hij heeft immers een adequate parkeerplaats voor zijn auto en de grond die hij nu in eigendom wil hebben (de spie) maakt helemaal geen deel uit van de woning die door hem bovendien inmiddels verkocht is.Het is niet duidelijk wat [verzoeker] nu eigenlijk wil, eigendom door verjaring? Er zijn achter de garage nu vier parkeervakken waar [verzoeker] zijn auto kan parkeren. Ook kan [verzoeker] , zonder de spie daarbij te betrekken, de deur van zijn garage groter maken zodat hij met zijn auto wel de draai kan maken om naar binnen te rijden. Daar komt bij dat de spie ook helemaal niet bebouwd mag worden en dit stuk grond kan dus ook niet door [verzoeker] of wie dan ook worden aangewend voor het verplaatsen van de huidige garagemuur. [verzoeker] heeft bij zijn verzoek dan ook geen enkel belang.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) verzocht te bepalen dat met betrekking tot de in zijn verzoekschrift vermelde feiten en omstandigheden een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden, een datum te bepalen waarop dit getuigenverhoor wordt gehouden, te bepalen dat de in het verzoekschrift genoemde personen ter zake als getuigen zullen worden gehoord, een rechter-commissaris te benoemen ten overstaan van wie de getuigenverhoren zullen worden gehouden, een datum te bepalen voor welke de beschikking aan de gerekwestreerden dient te worden opgezonden c.q. te worden betekend, alsmede te bepalen op welke termijn de getuigen dienen te worden opgeroepen.
Gemeente) heeft geen verweer gevoerd.
[betrokkene 4]) verschenen, bijgestaan door een advocaat. [betrokkene 5] (hierna:
[betrokkene 5]), juridisch adviseur van de Gemeente, is als toehoorder verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] zijn verzoek nader toegelicht.
[betrokkene 10]). In deze brief staat onder meer:
De overeenkomst is gesloten op 21 juli 2019. Dat was dus in de tijd dat de situatie nog was zoals deze ter zake is getoond. Zie de formulering: Nr. 17: benedenwoning (begane grond) met garage en erf (prijspeil 21-07-2019). Dit wijst ook op de openheid van erf en garage enz. Dat wordt nog versterkt door de bepaling: “Panden worden aanvaard in de staat als op 21-7-2019 is vastgesteld”.
(…)”
De bijlage betreft een kopie van de koopovereenkomst die op 21 juli jl. is gesloten tussen [verzoeker] en [betrokkene 10] . Volgens de inhoud van de overeenkomst worden de “
panden aanvaard in de staat als op 21-07-2019 is vastgesteld”.
nietsover de eigendomsdiscussie over de spie grond noch over het nieuwbouw project van cliënten.
steltvervolgens in zijn brief dat er ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst sprake zou zijn geweest van een “
openheid met de spie” en dat “
de staat” in de overeenkomst daarnaar verwijst, maar dat is onmogelijk.
2018. En de realisatie van die nieuwbouw was in juli 2019 reeds aangevangen! [verzoeker] was hiermee uiteraard bekend. Dus zowel de juridische als de feitelijke situatie was dus niet zoals mr de Man die beschrijft.
(…)”
In de overeenkomst met [betrokkene 10] wordt wel degelijk gesproken over de woning/benedenwoning met garage en erf. Dat ziet duidelijk mede op de spie. Zie de formulering: Nr. 17: benedenwoning (begane grond) met garage en erf, prijspeil 21 juli 2019.
(…)”
2. Het verzoek
2.2. [verzoeker] legt - samengevat - aan het verzoek ten grondslag dat hij eigenaar is van de panden [a-straat 1] en [a-straat 1a] te [plaats 1] . [verzoeker] heeft daarnaast in elk geval vanaf 1980 te goeder trouw een achtergelegen terrein in bezit, dat hij als parkeerplaats gebruikt. Later is gebleken dat dit stuk grond in kadastraal eigendom toebehoort aan de gemeente Loon op Zand en enkele particuliere organisaties. [verzoeker] is door verjaring eigenaar van deze grond geworden en is hiervoor een civiele procedure gestart. [verweerster 2] is omstreeks 2015 begonnen met de ontwikkeling van een woningbouwproject op het naastgelegen terrein en de gemeente heeft daartoe een ontwerp wijzigingsplan opgesteld. Daarbij is geen rekening gehouden met het eigendom van [verzoeker] , zodat [verzoeker] zijn zienswijze heeft ingediend. Omdat [verweerster 2] hierdoor niet verder kon met de ontwikkeling van het perceel, is tussen de gemeente, [verweerster 2] en [verzoeker] in november 2017 een minnelijke regeling getroffen. Daarbij is onder andere afgesproken dat het verjaringseigendom in oppervlakte werd beperkt, dat [verzoeker] de muur van zijn garage mocht wijzigen, dat hij te zijner tijd een parkeerplaats om niet geleverd zou krijgen in het nieuw te bouwen appartementencomplex. De gemeente heeft echter de gemaakte afspraak niet verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan, waardoor aan [verweerster 2] een omgevingsvergunning is afgegeven die, tegen de afspraak in, uitgaat van de kadastrale scheidingsgrens. Ondanks diverse pogingen van [verzoeker] om partijen te bewegen te afspraken na te komen, is dit vooralsnog niet gelukt. [verzoeker] wil in een civiele procedure stellen dat het gehele achterterrein door verjaring zijn eigendom is geworden. Daarnaast moet [verzoeker] mogelijk de afspraak uit november 2017 bewijzen. De gemeente, [verweerster 2] en [verweerster 3] betwisten de stellingen van [verzoeker] , zodat [verzoeker] recht en belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor.
2.3. [verweerders] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek, kosten rechtens. Zij stelt daartoe - samengevat - dat het verzoek grondslag ontbeert en er meerdere afwijzingsgronden aanwezig zijn. [verweerster 3] is juridisch eigenaar van het betreffende stuk grond. Het gezochte getuigenbewijs kan geen bewijs brengen van de stelling dat [verzoeker] wel eigenaar zou zijn geworden. [verzoeker] dacht weliswaar dat het stukje grond bij zijn woning hoorde, maar dat is op geen enkel objectief gegeven terug te voeren. [verzoeker] heeft ook geen bezitsdaden verricht die voor de eigenaar kenbaar waren. [verweerders] bestrijdt dat [verzoeker] de grond ooit in bezit heeft gehad en zeker niet te goeder trouw, zodat van verkrijging op grond van verjaring geen sprake kan zijn. [verweerders] is als derde verkrijger ook tegen verjaring beschermd. Daarnaast is er sprake van een onherroepelijk geworden bestemmingsplan. [verzoeker] is daartegen niet opgekomen, terwijl hij in het verleden herhaaldelijk zijn standpunt duidelijk heeft gemaakt. [verzoeker] heeft zonder succes een bestuursrechtelijk en een civiel kort geding gevoerd en is ook nu nog in een bestuursrechtelijke procedure verwikkeld met de gemeente. Het kan niet zo zijn dat [verzoeker] de civiele procedure gebruikt om ambtenaren te horen om bewijs te vergaren voor de bestuursrechtelijke procedure. Daarmee is het verzoek in strijd met de goede procesorde. [verweerders] betwist voorts dat er afspraken zijn gemaakt die het bezit of eigendom van [verzoeker] erkennen, en dat is ook niet in de afspraken is te lezen. De gemeente is bij deze afspraken ook geen partij. De gemeente heeft ook uitdrukkelijk medegedeeld dat er geen sprake kan zijn van enige uitbreiding van de garage van [verzoeker] . Omdat [verzoeker] ook geen concreet probandum formuleert en vaag blijft over de relevante feiten waarover de getuigen kunnen verklaren, voldoet het verzoek niet aan de wettelijke vereisten. [verzoeker] heeft bovendien geen belang, omdat hij de woning onvoorwaardelijk heeft verkocht. Daarbij heeft [verzoeker] het stukje grond uiteraard niet mee verkocht, zodat hij dus geen belang meer heeft bij zijn eigendomsclaim.
2.4. Ter zitting licht [verzoeker] het verzoek nader toe. Voorts stelt hij dat er een koopakte beschikbaar is en dat daaruit blijkt dat [verzoeker] de woning heeft verkocht met het betwiste stuk grond.
2.5. [verweerster 2] handhaaft het verweer. In het geval de rechtbank het verzoek toewijst, dan verzoekt [verweerster 2] om het aantal getuigen te beperken en [verweerster 2] in de gelegenheid te stellen getuigen op te roepen.
2.6. De rechtbank heeft [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om de koopakte over te leggen. [verzoeker] stelt dat de overeenkomst op 21 juli 2019 is gesloten en dat de situatie toen nog was zoals ter zake is getoond, met open spie. In de overeenkomst is ook opgenomen dat het gaat om een benedenwoning (begane grond) met garage en erf en dat de panden worden aanvaard in de staat als op 21 juli 2019 vastgesteld, dat wil zeggen met een open ruimte, aldus [verzoeker] .
2.7. [verweerders] betwist de stelling van [verzoeker] dat er ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst sprake was van een open spie. Immers, de onherroepelijke omgevingsvergunning dateert van oktober 2018 en in juli 2019 waren de werkzaamheden voor de nieuwbouw al aangevangen. De feitelijke en juridische situatie was dus anders dan door [verzoeker] wordt geschetst. [verweerders] stelt dat de koopovereenkomst ook niets stelt over de spie grond en als daarover al afspraken zijn gemaakt, dan dient de onbevoegde verkoop voor rekening van [verzoeker] te blijven.
3. De beoordeling3.1. Ten aanzien van het voorliggende verzoek en de stellingen van partijen, overweegt de rechtbank als volgt.
3.2. Bij de beoordeling van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, geldt ingevolge art. 186 jo Pro. art. 166 lid 1 Rv Pro als hoofdregel dat de rechter een getuigenverhoor beveelt zo vaak één der partijen dit verzoekt, de te bewijzen feiten zijn betwist, het bewijs daarvan door getuigen is toegelaten en deze feiten tot een beslissing in de zaak kunnen leiden. Een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor dient, indien het verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en feiten bevat die zich lenen voor een getuigenverhoor, in beginsel te worden toegewezen. Een verzoek is voldoende concreet indien de verzoeker het feitelijk gebeuren waarover hij getuigen wil doen horen zodanig heeft omschreven dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, alsmede voor de wederpartij, voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben.
3.3. Afwijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor is voorts slechts mogelijk indien zich feiten en omstandigheden voordoen die duiden op strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid dan wel een ander door de rechter geoordeeld zwaarwichtig bezwaar (HR 13 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3345). Daarnaast dient een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te worden afgewezen indien verzoeker daarbij geen belang heeft als bedoeld in art. 3:303 BW Pro (HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809).
3.4. De rechtbank heeft kennis genomen van de door [verzoeker] overgelegde 'koopovereenkomst woningen [a-straat 1] en [a-straat 1a] [plaats 1] '. Met [verweerders] is de rechtbank van oordeel dat uit deze overeenkomst niet blijkt dat de woning is verkocht met het betreffende stuk grond. Het stuk grond wordt niet specifiek genoemd, noch is er sprake van een bij de overeenkomst behorende situatietekening waarop staat aangegeven wat onderdeel van de koopovereenkomst uitmaakt. Ook is er geen perceeloppervlakte opgenomen in de koopovereenkomst, waaruit de afmetingen van het verkochte zijn af te leiden. Uit de schriftelijke afspraken die door [verweerster 2] in een brief van 17 november 2015 zijn vastgelegd en door [verzoeker] zijn ondertekend, kan evenmin volgen dat [verweerster 2] het eigendom van het stuk grond heeft overgedragen of heeft erkend dat deze grond aan [verzoeker] toekomt.
Nu de woning van [verzoeker] is verkocht en uit de koopovereenkomst of uit andere stukken niet blijkt dat het betreffende stuk grond daarbij is betrokken, is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] geen belang heeft bij het verzoek tot het horen van getuigen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
3.5. [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van [verweerders] worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op heden begroot op een bedrag van € 1.742,00 (€ 656,00 aan griffierecht en 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief II).
(…)”
3. De beoordeling(…)
3.6.2. Met inachtneming van voornoemde maatstaf is het hof van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor niet kan worden gehonoreerd en overweegt daartoe als volgt.
Ter zitting daarnaar gevraagd verklaarde [verzoeker] dat zijn verzoek betrekking heeft op de spie grond, zonder daarbij voldoende duidelijk een beroep te doen op een van genoemde feitencomplexen, terwijl zijn advocaat aanvoerde het oog te hebben op een schadevergoedingsvordering.
Aldus voldoet het verzoek niet aan de in de wet daaraan gestelde eisen (in het bijzonder art. 187, lid 2, aanhef en onder a en b Rv). Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen. [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit geding.
(…)”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Wat betreft het huidige belang van [verzoeker] , de andere afwijzingsgrond welke het hof aan de beschikking in rechtsoverweging 3.6.3 ten grondslag heeft gelegd, zij verwezen naar hetgeen ter zake in het appelrekest op pag. 3 (laatste alinea) is gesteld:
[verzoeker] heeft zich bij de verkoopovereenkomst met [betrokkene 10] hiertoe jegens [betrokkene 10] verplicht en wordt ter zake door [betrokkene 10] aansprakelijk gehouden, hetgeen, mocht levering van de spie zich niet laten realiseren, kan leiden tot een schadevergoedingsvordering, zoals door de advocaat van [verzoeker] eveneens gesteld.
Ook wat dit betreft is de overweging van het hof dat het huidige belang van [verzoeker] onduidelijk is gebleven onbegrijpelijk en daarmee onvoldoende gemotiveerd, nu hierbij ongemotiveerd aan vorennoemde stelling van [verzoeker] is voorbijgegaan.”
Voor wat betreft middelonderdeel II kan worden verwezen naar pagina 2 (Mr. De Man ... doordat de woning van [verzoeker] nu niet althans minder goed bereikbaar is, is deze in waarde gedaald. De koper van deze woning heeft [verzoeker] hier ook op aangesproken. Mr. Sintnicolaas geeft aan dat ook hij deze koper al eens gesproken heeft en dat deze toen inderdaad aangaf de uitkomst van deze procedure af te willen wachten alvorens eventuele juridische stappen te ondernemen. (pag. 4) Mr. de Man De woning die hij verkocht heeft dan wel aan het verkopen is, wordt door het niet erkennen en nakomen van de afspraken door de gemeente Loon op Zand immers minder waard.”).
Ook hieruit laat zich afleiden dat [betrokkene 10] levering van de spie wenst en [verzoeker] terzake door [betrokkene 10] aansprakelijk wordt gehouden, mocht levering van de spie zich niet laten realiseren hetgeen kan leiden tot een schadevergoedingsvordering.
(…)”
Op verzoek van de belanghebbende kan ex art. 186 lid 1 Rv Pro, in de gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, voordat een zaak aanhangig is, onverwijld een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen. [13] Uit het gegeven dat de verzoekende partij belanghebbende moet zijn, valt reeds af te leiden dat er voldoende belang moet bestaan bij het verzoek. [14] Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet (in welk verband art. 187 Rv Pro relevant is), worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (art. 3:13 BW Pro), op de grond dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde, en op de grond dat het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar; voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoekende partij bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (art. 3:303 BW Pro). [15] , [16] Het onderdeel (zoals dat is aangevuld bij aanvullende procesinleiding) bevat enkel een motiveringsklacht, gericht tegen ’s hofs oordeel in rov. 3.6.3 beschikking zoals bedoeld onder 3.2 sub b. hiervoor. Niet (ook) wordt geklaagd dat het hof daar blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van art. 3:303 BW Pro. Zie onder 3.4 hiervoor. [17] De door het onderdeel bedoelde en geciteerde passage op “pag. 3 (laatste alinea)” van het beroepschrift van [verzoeker] en hetgeen het onderdeel op basis daarvan nog opmerkt, brengen niet mee dat ’s hofs bestreden oordeel in rov. 3.6.3 beschikking zoals bedoeld onder 3.2 sub b. hiervoor “onbegrijpelijk en daarmee onvoldoende gemotiveerd [is], nu hierbij ongemotiveerd aan genoemde stelling van [verzoeker] is voorbijgegaan”, zoals het onderdeel klaagt. Deze stelling van [verzoeker] is te vinden op p. 3 onderaan/p. 4 bovenaan van zijn beroepschrift, als onderdeel van - blijkens p. 2 van dit beroepschrift - een door [verzoeker] “in het kort (ten overvloede)” gegeven “samenvatting van de gang van zaken”, welke samenvatting loopt tot circa de helft van p. 4 van dit beroepschrift. Deze “samenvatting” gaat vooraf aan - blijkens p. 4 van dit beroepschrift, vanaf circa de helft - de door [verzoeker] in dit beroepschrift aangevoerde “argumenten voor dit hoger beroep”, welk betoog (dus die in dit beroepschrift door [verzoeker] aangevoerde “argumenten voor dit hoger beroep”) loopt tot het einde van dit beroepschrift op p. 8, uitmondend in het onder 2.8 hiervoor weergegeven verzoek van [verzoeker] . Ik citeer de aanvang van dit betoog van [verzoeker] op (circa de helft van) p. 4 van dit beroepschrift:
Zoals gezegd heeft de rechtbank het verzoek van [verzoeker] afgewezen. [verzoeker] kan zich hiermee absoluut niet verenigen en zijn appelrekest dienaangaande wordt hierbij bij uw hof ingediend. De argumenten voor dit hoger beroep zijn de volgende.
(…)”
Ook is het huidige belang van [verzoeker] onduidelijk gebleven, mede nu hij niet nader heeft willen toelichten of de spie grond betrokken is bij zijn eigen verkoopovereenkomst met koper [betrokkene 10] .
(…)”
niet nader heeft onderbouwd [19] zijn stellingname dat de spie grond betrokken is bij zijn eigen verkoopovereenkomst met koper [betrokkene 10] , welke adstructie wel op [verzoeker] weg lag gezien het concrete, gemotiveerde verweer ter zake van [verweerders] dat in eerste aanleg door de rechtbank is gehonoreerd (zie rov. 2.3, 2.5, 2.7 en 3.4 van de beschikking van de rechtbank, alsook rov. 3.1 beschikking) en door [verweerders] in hoger beroep nadrukkelijk is doorgetrokken (zie rov. 3.4-3.5 beschikking), [20] , [21] zoals het volgende citaat uit hun verweerschrift in hoger beroep illustreert: [22]
6. [verzoeker] heeft zijn woning onvoorwaardelijk verkocht aan de heer Salah [betrokkene 10] . Zulks in de staat waarin de woning zich op 21 juli 2019 bevond. Op dat moment was de nieuwbouw op het belendend perceel van [verweerders] in volle gang en is op geen enkel objectief gegeven terug te voeren dat [verzoeker] een deel van dat belendend perceel als eigendom claimde en mee verkocht aan [betrokkene 10] . Dientengevolge heeft [verzoeker] geen belang in de zin van art. 3:303 BW Pro (meer) (…) bij zijn eigendomsclaim.
7. Dat [verzoeker] zich op het standpunt heeft gesteld dat het bewuste stukje grond weldegelijk door hem aan [betrokkene 10] zou zijn mee verkocht en hij in dat kader zijn eigen interpretatie heeft meegegeven aan de kopie van de koopovereenkomst die hij heeft overgelegd, doet aan het vorenstaande niet (…) af. Immers, zoals ook door de rechtbank is geoordeeld, blijkt uit die overeenkomst niet dat met de woning het bewuste stukje grond is mee verkocht. Het bewuste stukje grond wordt niet specifiek in de koopovereenkomst genoemd, er is geen bij de overeenkomst behorende situatietekening waarop staat aangegeven wat onderdeel van de koopovereenkomst uitmaakt en in de koopovereenkomst is ook geen perceeloppervlakte opgenomen waaruit de afmetingen van het verkochte zijn af te leiden.
8. Anders dan door [verzoeker] wordt gesteld, blijkt de verkoop van het bewuste stukje grond ook niet uit de bewoordingen van de koopovereenkomst:
“benedenwoning (begane grond) met garage en erf”en
“panden worden aanvaard in de staat als op 21-07-2019 is vastgesteld”. De (onherroepelijke) omgevingsvergunning voor de bouw van het nieuwbouwproject dateert van 12 oktober 2018 en de realisatie van de nieuwbouw was op 21-07-2019 als gezegd al aangevangen. Derhalve was zowel de feitelijke situatie ter plaatse als de juridische toestand niet zoals door [verzoeker] is gesteld. Uit de bewoordingen van de koopovereenkomst blijkt immers ook niet dat het bewuste stukje grond door hem is mee verkocht.
(…).” [23]
Ook de door het aangevulde onderdeel bedoelde en geciteerde passages op pag. 2 en 4 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 april 2021 en hetgeen het aangevulde onderdeel op basis daarvan nog opmerkt, brengen niet mee dat ’s hofs bestreden oordeel in rov. 3.6.3 beschikking zoals bedoeld onder 3.2 sub b. hiervoor “onbegrijpelijk en daarmee onvoldoende gemotiveerd [is]” (omdat hierbij ongemotiveerd aan genoemde passages is voorbijgegaan), zoals het aangevulde onderdeel (kennelijk) nog klaagt. In de eerste plaats brengt het hof met de onder 1.1 hiervoor door mij gecursiveerde zinnen in rov. 3.3 en 3.5 beschikking tot uitdrukking dat het genoemde passages op pag. 2 en 4 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 april 2021 (geciteerd onder 2.10 hiervoor) onderkent en betrekt in zijn beoordeling. In de tweede plaats kunnen ook deze enkele passages naar de aard niet afdoen aan ’s hofs bestreden oordeel in rov. 3.6.3 beschikking zoals bedoeld onder 3.2 sub b. hiervoor, waarmee het hof dus tot uitdrukking brengt dat het huidige belang van [verzoeker] ook met inachtneming van zijn beroepschrift en de mondelinge behandeling van 14 april 2021 - dus van het gehele partijdebat, ook in hoger beroep - onduidelijk is gebleven, mede nu hij in hoger beroep
niet nader heeft onderbouwdzijn stellingname dat de spie grond betrokken is bij zijn eigen verkoopovereenkomst met koper [betrokkene 10] , welke adstructie wel op [verzoeker] weg lag gezien het concrete, gemotiveerde verweer ter zake van [verweerders] dat in eerste aanleg door de rechtbank is gehonoreerd (zie rov. 2.3, 2.5, 2.7 en 3.4 van de beschikking van de rechtbank, alsook rov. 3.1 beschikking) en door [verweerders] in hoger beroep nadrukkelijk is doorgetrokken (zie rov. 3.4-3.5 beschikking). [24] Daarbij neem ik in aanmerking dat, naar ’s hofs klaarblijkelijke en niet onbegrijpelijke oordeel:
De uitkomst wordt logischerwijs niet anders als dat wat het aangevulde onderdeel ter zake aanvoert, wordt bezien in onderling(e) verband en samenhang met de door het onderdeel bedoelde en geciteerde passage op “pag. 3 (laatste alinea)” van het beroepschrift van [verzoeker] en hetgeen het onderdeel op basis daarvan nog opmerkt, waarover hiervoor.
Hierop stuit het (aangevulde) onderdeel af.