ECLI:NL:PHR:2007:BB7197
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gelijktijdige beslissing huurbeëindiging en verhuisvergoeding niet verplicht
In deze zaak stond centraal of de rechter bij een vordering tot beëindiging van een huurovereenkomst op grond van art. 7:295 BW Pro ook gelijktijdig moet beslissen over een vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten zoals bedoeld in art. 7:297 BW Pro. De huurder was het niet eens met de beëindiging van de huurovereenkomst en stelde zich op het standpunt dat de rechter beide vorderingen in één uitspraak moest behandelen.
De Hoge Raad concludeerde dat noch de wettekst noch de wetsgeschiedenis een dergelijke verplichting ondersteunen. De rechter heeft beleidsvrijheid om de volgorde en wijze van beslissen te bepalen en kan vorderingen ook in verschillende uitspraken behandelen. Dit sluit aan bij de algemene procespraktijk waarin meerdere beslissingen in een zaak worden gegeven.
Daarnaast wees de Hoge Raad op de praktische overweging dat verhuisvergoedingen meestal van beperkte omvang zijn, waardoor het samenvoegen van beslissingen niet noodzakelijk is. Ook kan het uitstellen van een beslissing over de verhuisvergoeding onredelijk zijn voor de verhuurder, vooral wanneer de huurbeëindiging en ontruiming dringend zijn. De conclusie is dat de rechter niet gehouden is tot gelijktijdige beslissing en dat het middel tot cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat gelijktijdige beslissing over huurbeëindiging en verhuisvergoeding niet verplicht is.