Uitspraak
lid 7 (oud) BW van een bedrag van ƒ 100.000,-- indien de wil tot duurzaam eigen gebruik niet aanwezig is. De Kantonrechter heeft bij beschikking van 23 oktober 1990 het verzoek van de verhuurder afgewezen.
clid 2 BW, het verzoek gedaan om een tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen. Bij de beoordeling van dat verzoek is onder meer de vraag aan de orde of de huurders "andere passende woonruimte" kunnen verkrijgen in de zin van art. 1623
e.
elid 1 onder 3, nu het (voor ƒ 500,-- per maand) gehuurde niet alleen bestaat uit een woning maar ook uit een erf van 1500 m
2met een grote schuur en de Rechtbank bij de vraag of de huurders andere passende woonruimte kunnen verkrijgen, niet in aanmerking heeft genomen het woongenot dat de huurders ontlenen "aan vrijstaand wonen in een landelijke omgeving op een erf van niet onbeduidende omvang, met een grote schuur". Aan dat betoog ligt de stelling ten grondslag dat van het verkrijgen van andere passende woonruimte geen sprake kan zijn wanneer dat zou leiden tot een wezenlijke verandering van het woongenot. Die stelling kan evenwel niet als juist worden aanvaard. Aangenomen moet worden dat ook een woonruimte die in grootte, ligging of anderszins een wezenlijk ander woongenot biedt dan het gehuurde, passend kan zijn (HR 18 oktober 1985, NJ 1986, 291). Het onderdeel stuit wat betreft de rechtsklacht op het voorgaande af.
elid 6 te beslissen op het door de huurders subsidiair gedane verzoek.
24 januari 1992.