ECLI:NL:PHR:2008:AY8546
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 31 Wet OB bij overdracht bedrijfsverzamelgebouw met exploitatie
De zaak betreft een geschil over de toepassing van artikel 31 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) bij de overdracht van een bedrijfsverzamelgebouw. Belanghebbende had het gebouw verkocht aan haar aandeelhouders, waarbij de exploitatie ongewijzigd werd voortgezet. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat hij meende dat de voorbelasting moest worden herzien.
Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de naheffingsaanslag. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, stellende dat de Hoge Raad eerder had geoordeeld dat artikel 31 niet Pro van toepassing is als de afnemer ondernemer is uitsluitend op grond van artikel 7 lid 2 onderdeel Pro b van de Wet.
De Hoge Raad overwoog dat de arresten waarop de Staatssecretaris zich baseert dateren van vóór het arrest Zita Modes van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG). Dit arrest verduidelijkt dat het niet-leveringsbeginsel van artikel 5 lid 8 Zesde Pro richtlijn in principe op elke overdracht van een algemeenheid van goederen van toepassing is, ongeacht de hoedanigheid van de afnemer, tenzij uitzonderingen van toepassing zijn.
De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het Hof dat artikel 31 Wet Pro OB van toepassing is ook als de afnemer een ondernemer is op grond van artikel 7 lid 2 onderdeel Pro b juist is. Verder oordeelde de Hoge Raad dat in deze zaak sprake is van een algemeenheid van goederen omdat de exploitatie van het gebouw ongewijzigd is voortgezet. Het beroep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.