ECLI:NL:PHR:2008:AZ4856
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over fiscale behandeling pachtrecht bij bedrijfsopvolging in maatschap
Belanghebbende drijft een melkveehouderij in maatschapsverband met zijn echtgenote, zoon en diens echtgenote. De ouders verkochten een weiland aan hun BV onder voorbehoud van een pachtrecht van twaalf jaar met verlengingsmogelijkheden. Het pachtrecht werd door hen ingebracht in de maatschap, waarbij de kinderen een bijdrage van 50% leverden. De afschrijving op het pachtrecht werd door belanghebbende over twaalf jaar lineair berekend, maar de inspecteur betwistte dit en stelde een afschrijvingstermijn van dertig jaar voor.
Het hof oordeelde dat het pachtrecht fiscaal gesplitst moest worden in een zakelijk deel (11/30) en een privédeel (19/30) vanwege verwachte staking van de onderneming na elf jaar en bedrijfsopvolging door de kinderen. Hierdoor werd de afschrijving beperkt tot het zakelijke deel. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze splitsing en betoogde dat het pachtrecht volledig tot het ondernemingsvermogen behoort zolang het wordt gebruikt binnen de onderneming.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist heeft geoordeeld door het pachtrecht te splitsen op basis van verwachte toekomstige wijzigingen in gebruik en dat de etikettering moet worden gebaseerd op de feitelijke aanwending binnen de onderneming. Pas bij daadwerkelijke staking en overdracht vindt een onttrekking plaats. De afschrijving mag daarom lineair over dertig jaar plaatsvinden. Het middel van belanghebbende wordt gegrond verklaard en de zaak wordt afgedaan. Hierdoor wordt het belastbare inkomen aangepast conform de juiste afschrijving.
Uitkomst: Het pachtrecht behoort volledig tot het ondernemingsvermogen en mag lineair over dertig jaar worden afgeschreven.