ECLI:NL:PHR:2008:BA4120
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Reikwijdte en berekening aanmerkelijk belang bij opties op nieuw uit te geven aandelen
In deze zaak stond centraal of rechten om nog uit te geven aandelen te verwerven (opties) een aanmerkelijk belang kunnen vormen in de zin van artikel 20a, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende stelde dat dergelijke opties niet tot een aanmerkelijk belang kunnen leiden, en dat bij de berekening van het belang ook rekening gehouden moet worden met de omvang van het aandelenkapitaal inclusief toekomstige uitgiften.
De Hoge Raad bevestigde dat rechten op nieuw uit te geven aandelen wel degelijk een aanmerkelijk belang kunnen vormen. Daarbij is het beslissend dat de omvang van het geplaatste kapitaal bij de beoordeling van het belang wordt aangepast met de toename van het geplaatste kapitaal als gevolg van de uitoefening van de opties door de belastingplichtige zelf. Echter, rechten van derden om aandelen te verwerven mogen niet worden meegeteld in die berekening.
De uitspraak verduidelijkt dat het begrip aanmerkelijk belang ook ziet op opties die betrekking hebben op nieuw uit te geven aandelen, en dat de berekeningswijze van het belang praktisch uitvoerbaar en in lijn met de doelstellingen van de wet moet zijn. De Hoge Raad verwierp de stelling dat alleen bestaande aandelen in aanmerking komen en benadrukte dat het geplaatste kapitaal als noemer dient, exclusief toekomstige uitgiften door derden. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Rechten op nieuw uit te geven aandelen kunnen een aanmerkelijk belang vormen waarbij de berekening rekening houdt met de toename van het geplaatste kapitaal door uitoefening van die rechten door de belastingplichtige zelf, maar niet met rechten van derden.