ECLI:NL:PHR:2008:BB3898
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over levensverzekeringsuitkering bij overlijden verzekeraar en verzekerde
Belanghebbende ontving een uitkering uit een levensverzekeringsovereenkomst die zij had afgesloten met haar echtgenoot, die tevens verzekeraar en verzekerde was. De vraag was of deze uitkering belastbaar was met successierecht. Het hof had de aanslag verminderd omdat het oordeelde dat de uitkering niet onder de artikelen 9, 11 of 13 Successiewet viel en dat er geen sprake was van wetsontduiking.
De minister stelde cassatie in en voerde aan dat de uitkering als erfrechtelijke verkrijging moest worden belast. De conclusie van de procureur-generaal bespreekt uitgebreid de juridische definities van levensverzekering, de toepasselijkheid van de artikelen 9, 11 en 13 Successiewet, en de leer van wetsontduiking.
De conclusie stelt dat artikel 9 niet Pro van toepassing is omdat de uitkering niet afhankelijk is gesteld van een overlevingsvoorwaarde. Artikel 11, lid 2, is niet van toepassing omdat de vordering al bestond bij overlijden en het niet gaat om goederen die bij overlijden overgaan. Artikel 13 is Pro wel van toepassing omdat de uitkering uit het vermogen van de erflater komt en de premies uit schenkingen van de erflater zijn betaald, waardoor er sprake is van een vermogensovergang.
De leer van wetsontduiking faalt omdat niet aannemelijk is dat belastingbesparing de doorslaggevende reden was voor het sluiten van de overeenkomst en de wetgever de situatie van premieschendingen bewust heeft geregeld. De conclusie adviseert de cassatie van de minister te honoreren en het beroep gegrond te verklaren.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van de minister gegrond en bevestigt dat de uitkering uit de levensverzekering belast is met successierecht.