ECLI:NL:PHR:2008:BB5195
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking renteaftrek lijfrenteverplichting na interne verhanging aandelen
De zaak betreft de verkoop van aandelen door een aandeelhouder woonachtig in Zwitserland aan een door hem beheerde vennootschap, waarbij de koopsom schuldig bleef en werd omgezet in een geldlening en vervolgens in een lijfrenteverplichting. De belanghebbende bracht de oprenting van deze lijfrente in aftrek in haar vennootschapsbelastingaangiften over 1999-2001, maar de Inspecteur weigerde deze aftrek.
Het Hof stelde vast dat sprake was van een schuldig gebleven winstuitdeling in de zin van artikel 10a Wet Vpb en kwalificeerde de rechtshandelingen als een dividenduitkering. De belanghebbende voerde aan dat noch lid 1 noch lid 2 van artikel 10a Wet Vpb van toepassing waren, omdat het niet ging om een winstuitdeling noch een geldlening, maar om een lijfrenteverplichting.
De Hoge Raad concludeert dat de tekst van artikel 10a Wet Vpb lid 1 en 2 niet zonder interpretatiekunstgrepen leidt tot het door de fiscus gewenste resultaat. De lijfrenteverplichting is geen geldlening in civielrechtelijke zin en valt daardoor niet onder lid 2. Desondanks oordeelt de Hoge Raad dat toepassing van het ongeschreven verbod op wetsontduiking (fraus legis) gerechtvaardigd is, omdat de constructie uitsluitend was gericht op belastingbesparing zonder zakelijke motieven.
De Hoge Raad bevestigt dat de renteaftrek op de lijfrenteverplichting terecht is geweigerd, mede omdat in Zwitserland geen compenserende heffing plaatsvindt. Daarmee wordt de aftrekbeperking gehandhaafd op grond van het algemene rechtsbeginsel van wetsontduiking, ondanks het ontbreken van een directe wettelijke grondslag in artikel 10a Wet Vpb voor lijfrenteverplichtingen in die jaren.
Uitkomst: De renteaftrek op de lijfrenteverplichting wordt geweigerd wegens strijd met doel en strekking van de wet en toepassing van het ongeschreven verbod op wetsontduiking.