ECLI:NL:PHR:2012:BQ7243
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van fiscale eenheid en hybride lening in vennootschapsbelasting onder het oude fiscale regime
Deze zaak betreft het oude fiscale-eenheidsregime van vóór 1 januari 2003 en de fiscale behandeling van hybride leningen binnen een fiscale eenheid. De belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid inclusief dochtermaatschappij G, verstrekte een renteloze hybride lening aan G, die hetzelfde bedrag rentedragend terugleende. De kern van het geschil is of de rente op de teruglening aftrekbaar is en of de stand alone winstbepaling van G rekening houdt met deze rentebetalingen, mede in het licht van de aftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb.
De Hoge Raad bevestigt dat de oude standaardvoorwaarde 3f verbindend is en dat deze dient ter verzekering van de heffing en invordering van belasting, niet slechts als anti-misbruikmaatregel. De stand alone winstbepaling maakt de onderlinge verhoudingen tussen de vennootschappen binnen de fiscale eenheid zichtbaar, waardoor art. 10a Wet Vpb van toepassing kan zijn bij die winstbepaling. De hybride lening valt onder de besmette handelingen van art. 10a(2) Wet Vpb, ook al werd zij vóór 2003 niet expliciet genoemd, omdat de ruime formulering van art. 10a(2)(c) dit omvat.
De Hoge Raad oordeelt dat de rente op de teruglening vanaf 1 januari 2003 niet aftrekbaar is en dat de aanspraak op aftrek wegens elders belaste voorvoegingsstallingswinsten een 'andersoortige aanspraak' is in de zin van art. 10a(3)(b) Wet Vpb. Hierdoor kan de rente niet worden afgezet tegen deze aanspraak. Voor het jaar 2002 geldt dat de rente op de teruglening wel aftrekbaar kan zijn, omdat de hybride lening toen nog niet expliciet onder art. 10a viel. De subsidiaire stelling van fraus legis wordt verworpen omdat het gebruik van eigen verliezen en buitenlandse belastingverrekeningsaanspraken niet strijdig is met doel en strekking van de wet.
De zaak wordt terugverwezen naar de feitenrechter voor nadere berekening van de fiscale gevolgen. De Hoge Raad bevestigt hiermee de geldigheid van de fiscale eenheidsvoorwaarden en verduidelijkt de toepassing van art. 10a Wet Vpb op hybride leningen binnen dat regime.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond voor de jaren tot 1 januari 2003 en vernietigt de uitspraken voor zover de belanghebbende niet in het gelijk werd gesteld, met terugverwijzing naar de feitenrechter.