ECLI:NL:PHR:2008:BB6907
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ruime uitleg van 'benadeelden' en 'onderhandeling' in WAM-verjaring
In deze zaak gaat het om de vraag of UWV en ABP, die uitkeringen hebben gedaan aan een verkeersslachtoffer, als rechtverkrijgenden onder de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) kunnen worden beschouwd en of zij de verjaring van hun vorderingen tegen de WAM-verzekeraar AXA hebben gestuit door middel van onderhandelingen.
Het slachtoffer raakte op 16 april 1993 gewond bij een verkeersongeval. UWV en ABP betaalden uitkeringen aan het slachtoffer en stelden AXA aansprakelijk voor deze kosten. AXA verweerde zich met een beroep op verjaring omdat de vorderingen meer dan drie jaar na het ongeval waren ingesteld. UWV en ABP stelden dat zij tijdig de verjaring hadden gestuit door onderhandelingen met AXA, waaronder een brief van 1 september 1994 met een voorbehoud namens ABP-oud.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip 'benadeelden' in artikel 1 WAM Pro ruim moet worden uitgelegd en ook rechtverkrijgenden omvat die op het moment van stuiting nog geen concrete schade hebben geleden, maar die in de toekomst schade zullen lijden. Tevens wordt geoordeeld dat onderhandelingen in de zin van artikel 10 lid 5 WAM Pro een ruime betekenis hebben en dat een uitwisseling van berichten die de indruk wekt dat de verzekeraar een regeling overweegt, voldoende is om de verjaring te stuiten.
De brief van 1 september 1994 met het voorbehoud van ABP-oud wordt als een aansprakelijkstelling beschouwd die onderdeel uitmaakt van de onderhandelingen. AXA heeft niet ondubbelzinnig afgewezen, waardoor de verjaring is gestuit. Het cassatieberoep van AXA wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van AXA wordt verworpen en de verjaring van de vorderingen van UWV en ABP is gestuit.