ECLI:NL:PHR:2008:BB8622
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijziging kinderalimentatie en toepasselijkheid verbeterbeschikking
De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden over de wijziging van kinderalimentatie. De vader had verzocht om de kinderbijdrage vanaf 1 februari 2005 op nihil te stellen vanwege zijn beperkte draagkracht door ziekte en teruglopende inkomsten. De rechtbank wijzigde de alimentatiebeschikking per 25 januari 2006 en stelde de bijdrage op nihil. Vervolgens werd een herstelbeschikking gegeven om de betalingsverplichting tot die datum te bevestigen.
De moeder stelde dat sprake was van een kennelijke verschrijving en dat de ingangsdatum van de wijziging op 1 februari 2005 had moeten worden vastgesteld. De rechtbank en het hof oordeelden dat geen sprake was van een kennelijke fout die eenvoudig hersteld kon worden en verklaarden het beroep van de moeder niet-ontvankelijk voor zover het tegen de herstelbeschikking was gericht.
De Hoge Raad bevestigde dat artikel 31 lid 4 Rv Pro een rechtsmiddelenverbod inhoudt tegen verbeterbeschikkingen, tenzij de rechter de regeling ten onrechte toepast of buiten toepassing laat (doorbrekingsgrond). De moeder had materieel voldoende gesteld om een beroep op deze doorbrekingsgrond te doen, maar het hof had dit niet aan de orde gesteld. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het hof de draagkracht van de vader voldoende zorgvuldig had beoordeeld, waarbij onder meer de financiële situatie en de door de moeder aangevoerde posten waren meegewogen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bekrachtigde het oordeel van het hof dat de vader geen draagkracht heeft om de kinderalimentatie voort te zetten en dat de verbeterbeschikking terecht is gegeven.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de verbeterbeschikking en het oordeel van het hof worden bekrachtigd.