ECLI:NL:PHR:2008:BC1311
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid terbeschikkingstelling ondanks tweefasenproces en persoonlijkheidsstoornis verdachte
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld voor meerdere ernstige delicten, waaronder medeplegen van vrijheidsberoving, verkrachting en diefstal, en terbeschikkingstelling met dwangverpleging werd opgelegd.
De verdediging stelde dat verdachte niet door een onpartijdige rechter was berecht vanwege een tussenvonnis waarin de rechtbank zich reeds over de bewezenverklaring had uitgesproken, wat volgens de verdediging tot terugwijzing naar de rechtbank had moeten leiden. De Hoge Raad oordeelde dat hoewel de procedure van het tweefasenproces niet conform het wettelijk systeem was, dit niet leidde tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Het tussenvonnis en het eindvonnis bevatten dezelfde bewezenverklaring en kwalificatie, en er was geen sprake van hernieuwd feitenonderzoek na het tussenvonnis.
Ten aanzien van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging stelde de verdediging dat onvoldoende zekerheid bestond over het bestaan van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Het hof had zich gebaseerd op deskundigenrapporten die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de aanwezigheid van een antisociale persoonlijkheidsstoornis bevestigden, ondanks de weigering van verdachte tot medewerking aan onderzoek. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht het oordeel van deskundigen op basis van dossieronderzoek kon volgen en dat aan de wettelijke en Europese eisen voor terbeschikkingstelling was voldaan.
De Hoge Raad stelde ook dat het verband tussen de stoornis en de gepleegde feiten niet vereist is om terbeschikkingstelling op te leggen, maar dat het hof terecht een direct verband tussen de stoornis en het gevaar voor de veiligheid van anderen aannam. De redelijke termijn in cassatie was overschreden, wat tot strafvermindering leidde. De overige middelen faalden, waarna het arrest werd vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en verminderd, en het beroep werd verworpen voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en terbeschikkingstelling met dwangverpleging, vermindert de straf wegens termijnoverschrijding en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.