ECLI:NL:PHR:2008:BC2333
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens schending art. 51 Sv en overschrijding redelijke termijn in drugszaken
De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet. In cassatie werden twee middelen aangevoerd: het eerste betrof de schending van art. 51 Sv Pro omdat geen afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte was gezonden, het tweede betrof overschrijding van de redelijke termijn bij de betekening van de verstekmededeling.
De Hoge Raad oordeelde dat uit brieven van de raadsman aan de rechtbank blijkt dat verdachte rechtsbijstand had, waardoor het ernstige vermoeden bestaat dat het voorschrift van art. 51 Sv Pro niet is nageleefd. De brief die als stelbrief werd gezien, was onvoldoende om te concluderen dat de raadsman zich daadwerkelijk had gesteld in hoger beroep. Het hof had mogen veronderstellen dat als de raadsman zich wilde stellen, dit ondubbelzinnig zou zijn gebeurd.
Ten aanzien van de redelijke termijn stelde de Hoge Raad vast dat de verstekmededeling pas na meer dan een jaar rechtsgeldig was betekend, waardoor de redelijke termijn was overschreden. De Hoge Raad vernietigde het arrest voor wat betreft de strafmaat en liet de rest van het beroep ongegrond. De straf kan door de Hoge Raad worden verminderd tot de gebruikelijke maatstaf.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafmaat wegens schending van art. 51 Sv en overschrijding van de redelijke termijn.