ECLI:NL:PHR:2008:BC2774
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbank bij geschil over niet-nakoming concurrentiebeding in arbeidsovereenkomst
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en zijn voormalige werkgever over de niet-nakoming van een concurrentiebeding. De werknemer was op non-actief gesteld en trad later in dienst bij een concurrerend bedrijf. De werkgever vorderde schadevergoeding wegens het overtreden van het concurrentiebeding.
De rechtbank had geoordeeld dat zij bevoegd was de vordering te behandelen, ondanks dat het verweer van onbevoegdheid pas in een later stadium van de procedure werd aangevoerd en niet 'voor alle weren' was gesteld zoals vereist volgens art. 154 lid 1 Rv Pro. oud. De Hoge Raad toetste dit oordeel aan de hand van de inhoud van de inleidende dagvaarding en de toepasselijke procesrechtelijke regels.
De Hoge Raad bevestigde dat de grondslag van de vordering al uit de dagvaarding bleek en dat de rechtbank terecht het verweer van onbevoegdheid buiten beschouwing had gelaten. Dit omdat het verweer niet tijdig was aangevoerd en de wet beoogt dat een beroep op onbevoegdheid zo vroeg mogelijk in de procedure wordt gedaan. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de rechtbank is bevoegd de vordering te behandelen.