ECLI:NL:PHR:2008:BC4496
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belangenafweging bij erkenning minderjarig kind door andere man dan biologische vader
In deze zaak staat centraal of de biologische vader van een minderjarig kind de erkenning door een andere man kan laten nietig verklaren en zelf vervangende toestemming kan verkrijgen voor erkenning. De moeder had aan een andere man toestemming gegeven het kind te erkennen, waarna de biologische vader dit aanvocht.
De rechtbank had de erkenning door de andere man nietig verklaard en vervangende toestemming aan de biologische vader verleend. Het hof vernietigde dit oordeel en wees het verzoek van de biologische vader af. De Hoge Raad bevestigt dat bij de belangenafweging het criterium geldt of de moeder, gelet op de onevenredigheid tussen de belangen van de biologische vader en die van de moeder en het kind, in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan de andere man heeft kunnen komen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd, onder meer door te wijzen op de moeizame relatie tussen moeder en biologische vader, de psychische gesteldheid van de moeder en het belang van het kind bij continuering van de huidige situatie. De klachten van de biologische vader dat het hof onvoldoende bewijs had gevraagd en onvoldoende rekening hield met zijn belangen worden verworpen. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de biologische vader wordt verworpen, waarmee de erkenning door de andere man rechtsgeldig blijft.