ECLI:NL:HR:2001:AB1068
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- C.H.M. Jansen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vervangende toestemming erkenning en omgangsregeling minderjarige afgewezen
De vader heeft bij de Rechtbank Breda een verzoek ingediend om vervangende toestemming te verkrijgen voor de erkenning van zijn minderjarige kind en om een omgangsregeling vast te stellen. De moeder heeft dit verzoek bestreden. De Rechtbank benoemde een bijzondere curator en verleende op 10 december 1999 vervangende toestemming tot erkenning van het kind door de vader. Tevens werd de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te doen naar de omgangsregeling, waarna de beslissing over de omgang werd aangehouden.
De moeder stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat op 24 mei 2000 de beschikking van de Rechtbank bekrachtigde. Vervolgens stelde de moeder beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De vader nam niet deel aan het cassatieproces.
De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad volgde dit advies en wees het beroep van de moeder af. Hiermee bleef de vervangende toestemming tot erkenning en de aanhouding van de beslissing omtrent de omgangsregeling in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de vervangende toestemming tot erkenning en de aanhouding van de omgangsbeslissing.