ECLI:NL:PHR:2008:BC5821
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van pand in aanbouw als onroerende zaak in de zin van de Wet WOZ
Belanghebbende, eigenaar van een pand in aanbouw, stelde bezwaar tegen de WOZ-beschikking en de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB). Het geschil draaide om de vraag of het pand in aanbouw als gebruikt kon worden aangemerkt volgens artikel 24, lid 3, Wet WOZ. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het pand in aanbouw wel degelijk werd gebruikt door belanghebbende, omdat zij de bouw tot stand bracht.
De Hoge Raad bevestigde dat de vraag of een belanghebbende een onroerende zaak gebruikt, niet in een procedure tegen de WOZ-beschikking kan worden behandeld, maar alleen in bezwaar en beroep tegen de OZB-aanslag. Daarnaast werd bevestigd dat het begrip 'gebruik' ruimer is dan 'feitelijk gebruik' en ook het bezigen van een pand in aanbouw omvat.
De jurisprudentie en wetgeving werden uitvoerig besproken, waarbij werd vastgesteld dat het begrip gebruik sinds 1995 is verruimd en dat een eigenaar die een pand bouwt of verbouwt dit als gebruik wordt aangemerkt. Leegstand zonder activiteiten wordt niet als gebruik gezien. De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en handhaafde het oordeel van het Hof.
Deze uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van het begrip gebruik in de Wet WOZ en de Gemeentewet en benadrukt het belang van het onderscheiden van procedures tegen WOZ-beschikkingen en OZB-aanslagen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het gebruik van het pand in aanbouw wordt bevestigd.