ECLI:NL:PHR:2008:BC6548
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheidsduur eerste voorwaardelijke machtiging Wet Bopz
Op 19 november 2007 verzocht de officier van justitie de rechtbank Zwolle-Lelystad om een voorwaardelijke machtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene. De rechtbank verleende op 6 december 2007 een eerste voorwaardelijke machtiging voor de duur van een jaar. Betrokkene stelde hiertegen tijdig cassatie in, zonder verweer in cassatie.
Het cassatiemiddel richtte zich uitsluitend tegen de geldigheidsduur van de machtiging, stellende dat de rechtbank in strijd met de wet een termijn van een jaar had vastgesteld. De Hoge Raad overwoog dat volgens art. 14c lid 1 Wet Bopz de geldigheidsduur van een eerste voorwaardelijke machtiging maximaal zes maanden mag zijn. Het tweede lid van dat artikel staat toe dat de rechter telkens een nieuwe machtiging kan verlenen voor maximaal een jaar, maar dit geldt niet voor de eerste machtiging.
De Hoge Raad constateerde dat de rechtbank ten onrechte een termijn van een jaar had vastgesteld voor de eerste machtiging. De zaak werd door de Hoge Raad zelf afgedaan door de geldigheidsduur te beperken tot zes maanden na dagtekening van de beschikking. Hiermee werd de bestreden beschikking vernietigd voor zover deze de termijn op een jaar stelde.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en stelt de geldigheidsduur van de eerste voorwaardelijke machtiging vast op zes maanden.