ECLI:NL:PHR:2008:BC6810
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid OM bij vervolging milieudelict ondanks richtlijnen
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (OM) centraal bij de vervolging van een verdachte wegens het opzettelijk begaan van een milieudelict, namelijk het op straat gooien van een parkeerbon. Het hof had het misdrijf bewezen verklaard en de verdachte veroordeeld, maar verwierp het verweer dat het OM niet ontvankelijk was vanwege strijd met interne vervolgingsrichtlijnen die milieudelicten van deze aard slechts als overtreding willen vervolgen.
De verdediging stelde dat het hof ten onrechte het verweer verwierp dat de vervolging wegens misdrijf in strijd was met de richtlijnen van het OM. De Hoge Raad bevestigde dat de beslissing over de ontvankelijkheid voorafgaat aan de bewezenverklaring en dat het feit dat het hof het misdrijf bewezen achtte, geen reden kan zijn de ontvankelijkheid te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat het OM ontvankelijk is omdat het tenlastegelegde feit op grond van de wet een misdrijf oplevert indien opzettelijk begaan, ongeacht de richtlijnen.
De zaak betrof een overtreding van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer juncto artikelen 1a en 2 van de Wet op de economische delicten. De Hoge Raad benadrukte dat richtlijnen van het OM niet met terugwerkende kracht een reeds genomen vervolgingsbeslissing kunnen beïnvloeden en dat het ontbreken van een wijziging van de tenlastelegging door het OM geen reden is tot niet-ontvankelijkheid.
Het tweede middel betrof het opzet, waarbij het hof op basis van het feit dat de verdachte een proces-verbaal op straat gooide, het vereiste opzet aannam. Dit werd door de Hoge Raad niet onterecht bevonden. Beide middelen faalden, en het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het OM is ontvankelijk in de vervolging van het milieudelict als misdrijf en het cassatieberoep wordt verworpen.