ECLI:NL:PHR:2008:BC7239
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vereiste bereidverklaring voor verlening nieuwe voorwaardelijke machtiging onder Wet BOPZ
In deze zaak gaat het om de verlening van een nieuwe voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ). Betrokkene, een patiënt met schizofrenie, stemde niet in met het gebruik van depotmedicatie zoals opgenomen in het behandelingsplan, maar had deze in het verleden wel geaccepteerd om gedwongen opname te voorkomen. De rechtbank verleende de machtiging op basis van de inschatting dat betrokkene ook in de toekomst de medicatie zou accepteren.
De Hoge Raad oordeelt dat voor het verlenen van een voorwaardelijke machtiging vereist is dat betrokkene zich bereid verklaart de voorwaarden na te leven of dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij dit zal doen. De rechtbank mag niet volstaan met een eigen inschatting zonder concrete aanwijzingen. Het enkele feit dat betrokkene in het verleden depotmedicatie accepteerde, is onvoldoende als hij nu uitdrukkelijk weigert.
De Hoge Raad wijst erop dat het behandelingsplan niet door betrokkene hoeft te zijn ondertekend, maar dat instemming en bereidheid wel moeten blijken uit concrete verklaringen of gedragingen. Omdat de rechtbank niet voldoende heeft gemotiveerd waarom zij aannam dat betrokkene instemde met de voorwaarden, wordt de beschikking vernietigd en de zaak verwezen naar de rechtbank voor hernieuwde beoordeling.
Deze uitspraak verduidelijkt de strikte eisen aan de bereidverklaring bij voorwaardelijke machtigingen en benadrukt het belang van duidelijke instemming met het behandelingsplan en de voorwaarden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot verlening van een nieuwe voorwaardelijke machtiging wegens onvoldoende bewijs van bereidverklaring tot naleving van de voorwaarden.