ECLI:NL:HR:2008:BC7239

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00664HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a lid 8 Wet BOPZ
Verwijzingen
2 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens ontbreken instemming betrokkene met voorwaarden voor voorwaardelijke machtiging psychiatrische opname

De officier van justitie verzocht de rechtbank Amsterdam om een nieuwe voorwaardelijke machtiging te verlenen voor opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene verzette zich tegen dit verzoek, met name tegen de in het behandelingsplan opgenomen behandeling met depotmedicatie. De rechtbank verleende de machtiging ondanks deze bezwaren.

Betrokkene verklaarde ter zitting dat hij niet instemde met het gebruik van depotmedicatie omdat hij deze niet nodig acht en negatieve bijwerkingen ervaart. Hij gaf aan de medicatie in het verleden tegen zijn zin te hebben gebruikt uit angst voor gedwongen opname en gaf aan ook bij een nieuwe machtiging de medicatie te zullen weigeren. Zijn raadsvrouwe concludeerde daarom tot afwijzing van het verzoek.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat betrokkene zich bereid had verklaard tot naleving van de voorwaarden zoals vereist in art. 14a lid 8 Wet BOPZ. De Hoge Raad vernietigde de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor een volledige herbeoordeling, waarbij de bezwaren van betrokkene tegen het behandelingsplan in acht moeten worden genomen.

De overige klachten behoeven geen behandeling nu de vernietiging en verwijzing het geschil heropenen. De beschikking is gegeven door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Asser op 25 april 2008.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot verlening van de voorwaardelijke machtiging en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor heronderzoek.

Uitspraak

25 april 2008
Eerste Kamer
Nr. 08/00664HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de officier van justitie en betrokkene.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 30 augustus 2007 ter griffie van de rechtbank Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft de officier van justitie zich gewend tot die rechtbank met het verzoek tot het verlenen van een (hernieuwde) voorwaardelijke machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis.
Betrokkene heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 18 december 2007 de verzochte machtiging verleend.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De rechtbank heeft het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een nieuwe voorwaardelijke machtiging met betrekking tot betrokkene toegewezen. De rechtbank is daarbij voorbijgegaan aan de bezwaren die betrokkene heeft aangevoerd tegen de in het behandelingsplan opgenomen behandeling door middel van depotmedicatie.
3.2 Het middel houdt in de eerste plaats de klacht in dat het oordeel van de rechtbank dat voldaan is aan het vereiste van art. 14a lid 8 Wet Bopz dat de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden, onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen betrokkene en zijn raadsvrouwe ter zitting hebben verklaard.
Deze klacht is gegrond. Betrokkene heeft blijkens de bestreden beschikking ter zitting verklaard "dat hij niet instemt met het gebruik van depotmedicatie omdat hij deze medicatie niet nodig heeft. Volgens betrokkene wordt hij van de depotmedicatie alleen maar moe en depressief. Betrokkene heeft aangegeven dat hij de depotmedicatie de afgelopen jaren tegen zijn zin heeft ingenomen omdat hij anders gedwongen opgenomen zou worden in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene heeft ten slotte medegedeeld dat hij, ook in het geval dat de nieuwe voorwaardelijke machtiging wordt verleend, het gebruik van depotmedicatie zal weigeren." De raadsvrouwe heeft blijkens de beschikking "ter zitting geconcludeerd tot afwijzing van het onderhavige verzoek omdat betrokkene niet instemt met het gebruik van depotmedicatie en derhalve niet gesteld kan worden dat betrokkene instemt met de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in het behandelingsplan." Hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de acceptatie van depotmedicatie door betrokkene in het verleden en zijn besef van de nadelen van weigering van depotmedicatie kan de conclusie dat voldaan is aan het vereiste van art. 14a lid 8 niet dragen.
3.3 Nu het in 3.2 overwogene tot vernietiging van de bestreden beschikking leidt en na verwijzing opnieuw in volle omvang zal moeten worden onderzocht of voldaan is aan de vereisten voor het verlenen van de gevraagde machtiging, behoeven de overige klachten van het middel geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2007;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 25 april 2008.