ECLI:NL:PHR:2008:BD1501
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekening aandelen aan vaste inrichting en toepassing EG-vestigingsvrijheid bij dividendbelasting
Deze zaak betreft de vraag of aandelen in een belanghebbende vennootschap kunnen worden toegerekend aan de vaste inrichting van een tussenhoudster in Nederland, zodat dividenduitkeringen aan die tussenhoudster vrijgesteld zijn van Nederlandse dividendbelasting. De belanghebbende, een dividendmixer binnen een concern, ontving dividenden van Nederlandse werkmaatschappijen en keerde deze door aan haar Britse moedervennootschap via een tussenhoudster met een vaste inrichting in Nederland.
De rechtbank en het hof hadden geoordeeld dat de aandelen niet tot het vermogen van de vaste inrichting behoorden, omdat de werkzaamheden van de vaste inrichting (uitgevoerd door J) niet afhankelijk waren van de uitoefening van aandeelhoudersbevoegdheden. De Hoge Raad bevestigt dat het criterium voor toerekening is of de aandelen dienstbaar zijn aan de bedrijfsuitoefening van de vaste inrichting. Het hof heeft terecht geoordeeld dat J de bevoegdheden verbonden aan de aandelen niet zelfstandig uitoefende en dat de aandelen niet noodzakelijk waren voor de werkzaamheden van de vaste inrichting.
Daarnaast is subsidiair betoogd dat de Nederlandse dividendbelastingregeling in strijd is met artikel 43 van Pro het EG-Verdrag (vestigingsvrijheid). Het hof heeft dit beroep verworpen, mede gelet op het arrest Amurta van het HvJ EG, waarin werd geoordeeld dat ongelijke behandeling van binnenlandse en buitenlandse moedervennootschappen in beginsel onverenigbaar is met het vrije kapitaalverkeer, maar dat een rechtvaardiging kan bestaan indien dubbele belastingheffing wordt geneutraliseerd door verrekening in de woonstaat. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan en oordeelt dat geen sprake is van strijd met de vestigingsvrijheid, mede omdat de Nederlandse bronheffing kan worden gecompenseerd in het Verenigd Koninkrijk.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de aandelen niet tot het vermogen van de vaste inrichting behoren en dat de dividendbelastingheffing niet in strijd is met de EG-vestigingsvrijheid.