ECLI:NL:PHR:2008:BD9220
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herstel van toestand bij leveringen onder ontbindende en opschortende voorwaarden in overdrachtsbelasting
De zaak betreft de vraag of belanghebbende recht heeft op teruggave van overdrachtsbelasting op grond van artikel 19, lid 1, letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BvR), omdat de toestand van vóór de verkrijging zowel feitelijk als rechtens zou zijn hersteld door de vervulling van een ontbindende voorwaarde.
Belanghebbende had een onroerende zaak geleverd gekregen onder ontbindende en opschortende voorwaarden, waarbij de levering aan een BV in oprichting onder opschortende voorwaarde viel en de levering aan de oprichter onder ontbindende voorwaarde. Het hof had geoordeeld dat de twee leveringen als een geheel moesten worden beschouwd en dat de toestand van vóór de verkrijging niet hersteld was, waardoor de teruggaaf werd geweigerd.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld of de feitelijke toestand vóór de verkrijging en ten tijde van de vervulling van de ontbindende voorwaarde werkelijk was hersteld. Tevens is onduidelijk of sprake is van een voorwaardelijke verbintenis of een verbintenis onder tijdsbepaling, wat relevant is voor de toepassing van artikel 19 Wet Pro BvR.
De Hoge Raad benadrukt dat civielrechtelijke kwalificaties van voorwaardelijke verbintenissen ook bij fiscale beoordeling van belang zijn en dat de overdrachtsbelasting slechts geheven wordt bij verkrijging. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor nader onderzoek naar de feitelijke toestand en de aard van de verbintenis.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek naar feitelijke toestand en aard van de verbintenis.