ECLI:NL:PHR:2008:BF1889
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid gemeentelijke medefinanciering van stichtingskosten SOV-inrichtingen
De zaak betreft de vraag of de Staat een gemeente kan uitsluiten van deelname aan het SOV-experiment indien deze niet bereid is 25% bij te dragen in de stichtingskosten van intramurale SOV-inrichtingen. De Wet SOV regelt de strafrechtelijke opvang van verslaafden en bepaalt dat de kosten van de tenuitvoerlegging van de maatregel in principe voor rekening van de Staat komen, met uitzondering van de laatste fase die gemeenten dragen.
De gemeente 's-Gravenhage weigerde aanvankelijk de gevraagde bijdrage te betalen en werd daarom uitgesloten van deelname aan het experiment. De rechtbank oordeelde dat de wet geen ruimte laat voor een dergelijke bijdrage en verklaarde de Staat onrechtmatig. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen van de gemeente af, stellende dat de bijdrage als randvoorwaarde voor deelname aan het experiment was overeengekomen en niet in strijd was met de wet.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de medefinanciering door gemeenten onderdeel was van het experiment en dat het parlement dit stilzwijgend heeft geaccepteerd. De bijdrage betreft slechts de stichtingskosten en niet de exploitatiekosten, die voor rekening van de Staat blijven. De Hoge Raad stelt dat art. 38o Sr niet verbiedt dat de Staat deelname aan het experiment afhankelijk stelt van een dergelijke financiële voorwaarde.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het cassatieberoep ongegrond is en dat de financiële bijdrage als randvoorwaarde voor deelname aan het experiment toelaatbaar is. Er is geen sprake van strijd met het legaliteitsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel, aangezien ook andere gemeenten aan deze voorwaarde voldeden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat gemeenten als voorwaarde voor deelname aan het SOV-experiment een bijdrage in de stichtingskosten moeten leveren.