ECLI:NL:PHR:2008:BF3161

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01794/07
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.2.a WVW 1994Art. 7 Besluit alcoholonderzoekenArt. 141 SvArt. 19 RVV 1990
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak rijden onder invloed wegens onjuiste uitleg onderzoek alcoholgehalte

Verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 31 december 2005 te Gouda had gereden met een alcoholgehalte in de adem van 730 microgram per liter, hoger dan de wettelijke limiet. Het gerechtshof sprak verdachte vrij van dit feit omdat de opsporingsambtenaar die het ademanalyse-apparaat bediende niet uitdrukkelijk was aangewezen door de korpschef, zoals vereist in artikel 7 van Pro het Besluit alcoholonderzoeken.

De Hoge Raad stelde echter vast dat het hof een onjuiste uitleg gaf aan het begrip "onderzoek" in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994. Volgens de Hoge Raad staat het ontbreken van een specifieke aanwijzing niet in de weg aan de geldigheid van het onderzoek indien het doel van het Besluit wordt bereikt.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het de vrijspraak van het rijden onder invloed betreft en verwierp het beroep voor het overige. De zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal onderstreepte dat de opsporingsambtenaar weliswaar voldeed aan kennis- en vaardigheidseisen, maar dat de formele aanwijzing ontbrak, hetgeen volgens het hof tot vrijspraak leidde, maar volgens de Hoge Raad niet gerechtvaardigd was.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de vrijspraak van rijden onder invloed betreft wegens onjuiste uitleg van het begrip onderzoek.

Conclusie

Nr. 01794/07
Mr Jörg
Zitting 16 september 2008
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van het - kort gezegd - rijden onder invloed en veroordeeld wegens rijden zonder rijbewijs en overtreding van art. 19 RVV Pro 1990.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. De Advocaat-Generaal mr. L. Plas heeft bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft mr. L.E. Buiting, advocaat te Gouda gereageerd op de schriftuur van de Advocaat-Generaal.
3. Het middel bevat de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip "onderzoek" in de zin van art. 8, tweede lid onder a, WVW 1994 en aldus niet heeft beraadslaagt op de grondslag van de tenlastelegging.
4. Aan verzoeker is onder 1 tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 31 december 2005 te Gouda als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 730 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn."
5. Het bestreden arrest houdt het volgende in:
"Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde
De raadsman heeft aangevoerd dat niet blijkt dat de verbalisant [verbalisant] voldeed aan de vereisten die in artikel 7 van Pro het Besluit alcoholonderzoeken worden gesteld aan bedienaars van ademanalyseapparaten, zodat - zo begrijpt het hof deze stelling - geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 en verdachte mitsdien van dit feit behoort te worden vrijgesproken.
Het hof stelt voorop dat artikel 7 van Pro het Besluit alcoholonderzoeken noch de wetsgeschiedenis iets inhouden waaruit kan of moet worden afgeleid op welke wijze (door middel van een geschrift dan wel met gebruikmaking van een geautomatiseerd werk) een aanwijzing door de korpschef dient te geschieden. Uit artikel 7 van Pro het Besluit en de wetsgeschiedenis blijkt evenmin dat het de korpschef niet vrij zou staan alle opsporingsambtenaren die het certificaat behaald hebben aan te wijzen, dat wil zeggen zonder aanzien des persoons.
De strikte waarborgen aangaande de "kwaliteit" van degene die de ademanalyse zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 afneemt, neergelegd in artikel 7 van Pro het Besluit, houden in, cumulatief:
1. de bedienaar dient een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafvordering te zijn;
2. de bedienaar dient getoond te hebben de voor het bedienen van ademanalyse-apparaat benodigde kennis en vaardigheden te hebben;
3. de bedienaar dient daartoe door de korpschef te zijn aangewezen.
De door de advocaat-generaal aan het dossier toegevoegde brief van 26 januari 2007, gericht aan de officier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag, van Politie Hollands Midden, Divisie Operationele Ondersteuning, Leiderdorp, opgemaakt door [getuige 1], Hoofd divisie operationele ondersteuning en portefeuillehouder verkeer namens de korpschef van politie, houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
In het korps Holland Midden wordt per team basispolitiezorg een aantal functionarissen aangewezen om de ademanalyse te verrichten. Een medewerker/verbalisant wordt slechts bedienaar als hij een instructie heeft gekregen van een aangewezen kerninstructeur. De instructie wordt afgesloten met een proeve van bekwaamheid. Pas daarna wordt een unieke username en password voor de bedienaar in het ademanalyse-apparaat aangemaakt en toegekend.
Voorts is door de advocaat-generaal aan het dossier toegevoegd een faxbericht d.d. 19 april 2007 van [getuige 2], brigadier van Politie Hollands Midden waarbij een kopie van een verklaring is gevoegd, onder meer inhoudende:
Ondergetekende verklaart hierbij dat [verbalisant], heeft gevolgd Bedienaar Honac Intox Adem Analyse Apparaat; georganiseerd door Politie Hollands Midden; Gouda 24 november 2003; de korpschef, namens deze, de kerninstructeur [getuige 2].
Naar het oordeel van het hof blijkt uit bovenvermelde voorhanden zijnde stukken genoegzaam dat verbalisant [verbalisant] - hoofdagent van politie Hollands Midden - aan de vermelde vereisten onder 1 en 2 voldoet, doch ontbreekt een uitdrukkelijke dan wel specifieke aanwijzing van deze bedienaar door de korpschef als bedoeld in artikel 7 van Pro meergenoemd Besluit. Immers uit de brief van 26 januari 2007 blijkt niet door wie een medewerker wordt aangewezen om de ademanalyse te verrichten. Het aanmaken en toekennen van een unieke username en een password door een kerninstructeur is daartoe onvoldoende.
In het onderhavige geval is derhalve geen sprake van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.
Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrij gesproken."
6. Deze zaak is één van de zaken waarin de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar een blaastest uit te voeren ter discussie werd gesteld. Op grond van art. 7 Besluit Pro alcoholonderzoeken mag slechts de opsporingsambtenaar die daartoe door de betrokken korpschef of de betrokken brigade-commandant van de Koninklijke Marechaussee is aangewezen het ademanalyse-apparaat bedienen. In de praktijk bleek een specifieke en uitdrukkelijke aanwijzing nogal eens te ontbreken. Inmiddels heeft de Hoge Raad zich - na een uitvoerige conclusie van mijn ambtgenoot Knigge - over deze kwestie uitgelaten in HR 2 oktober 2007, NJ 2008, 247 m.nt. Buruma.
7. De Hoge Raad oordeelde:
"Het oordeel van het Hof komt erop neer dat ook indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat de desbetreffende opsporingsambtenaar beschikte over de voor het bedienen van het ademanalyse-apparaat vereiste kennis en vaardigheden, de omstandigheid dat hij ten gevolge van een verzuim niet overeenkomstig art. 7 Besluit Pro [alcoholonderzoeken van 5 juli 1997]) was aangewezen meebrengt dat geen sprake is geweest van een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid aanhef en onder a WVW 1994. Dat oordeel kan niet als juist worden aanvaard.
Immers, dat enkele verzuim staat niet eraan in de weg dat het met art. 7 Besluit Pro beoogde doel wordt bereikt."
8. Met een verwijzing naar die zaak kan ik op deze plaats kort zijn. Ook in de onderhavige zaak is het hof aldus uitgegaan van een verkeerde uitleg van de in de tenlastelegging voorkomende term "onderzoek". Het oordeel van het hof dat, nu een uitdrukkelijke en specifieke aanwijzing als bedoeld in art. 7 van Pro voornoemd besluit ontbreekt, niet meer gesproken kan worden van een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid aanhef en onder a, WVW is onjuist. Het hof heeft derhalve
verdachte op een rechtens onjuiste grond vrijgesproken.
9. Het middel is terecht voorgesteld.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en van de strafoplegging, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G