ECLI:NL:PHR:2008:BF3184
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens overschrijding redelijke termijn niet verenigbaar met nieuw recht
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin het openbaar ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De procedure duurde in eerste aanleg 34 maanden en in hoger beroep bijna 67 maanden, samen ruim 8 jaar en 5 maanden, wat het hof als een ernstige overschrijding beoordeelde. Het hof oordeelde dat het belang van de verdachte bij verval van het recht tot vervolging zwaarder woog dan het belang van de samenleving bij normhandhaving.
De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 17 juni 2008 (LJN BD2578) waarin is bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet meer leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Dit nieuwe procesrechtelijke uitgangspunt is van toepassing op zaken die na die datum worden beslist. De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte aan de overschrijding niet-ontvankelijkheid heeft verbonden en vernietigt het arrest.
De Hoge Raad overweegt verder dat de motivering van het hof onvoldoende was om van een uitzonderlijk geval te spreken dat onder het oude recht niet-ontvankelijkheid zou rechtvaardigen. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting volgens het nieuwe recht. De zaak betreft ernstige feiten met aanzienlijke maatschappelijke impact, maar de procedurele regels omtrent redelijke termijn zijn gewijzigd en dienen correct te worden toegepast.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nieuwe berechting, omdat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM mag leiden.