ECLI:NL:PHR:2009:BC4725
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over Nederlandse belastingheffing bij afkoop van lijfrente en verdragsconflicten met België
De zaak betreft belanghebbenden die in 2002 hun lijfrenteverplichtingen afkochten terwijl zij in België woonden. De Nederlandse fiscus nam de eerder verleende premieaftrek terug als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en legde hierover belasting op. Het Hof Den Bosch oordeelde dat deze heffing in strijd was met het belastingverdrag met België 1970, dat het heffingsrecht over de afkoopsom aan België toewijst.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad analyseerde het nationale recht, het verdrag en de verdragsrechtelijke beginselen. De Raad concludeerde dat de Nederlandse wetgeving, die de waarde van de aanspraak belast in plaats van slechts de terugname van de premieaftrek, feitelijk de heffing over de afkoopsom inhoudt en daarmee het exclusieve heffingsrecht van België onder het verdrag ondermijnt.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat België een vergelijkbare regeling kent die de Nederlandse heffing zou rechtvaardigen, en benadrukte dat eenzijdige, verdragsposterieure wetswijzigingen niet zonder wederzijdse goedkeuring verdragsrechtelijk toelaatbaar zijn. Ook het beroep op EG-recht ter rechtvaardiging van de heffing werd afgewezen omdat de regeling geen discriminatie inhoudt.
De conclusie van de Procureur-Generaal luidde dat het cassatieberoep ongegrond verklaard moet worden, waarmee het Hof Den Bosch in stand blijft en de Nederlandse heffing over de afkoop van lijfrente aan een inwoner van België niet verenigbaar is met het belastingverdrag.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de Nederlandse heffing over de afkoop van lijfrente bij in België wonende belastingplichtigen is in strijd met het belastingverdrag.