ECLI:NL:PHR:2009:BG3555
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over revindicatie en verkrijging te goeder trouw van gestolen geluidsbanden van The Beatles
Deze zaak betreft het beklag van klager tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam om de teruggave van inbeslaggenomen geluidsbanden van The Beatles aan klager te weigeren. De banden waren in 2003 in beslag genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar diefstal en heling. Klager stelde dat hij de banden te goeder trouw had gekocht en dat de revindicatiemogelijkheid van de oorspronkelijke eigenaar op grond van art. 3:86 BW Pro was vervallen vanwege het tijdsverloop.
De rechtbank oordeelde dat de banden afkomstig waren van diefstal en dat klager niet beschermd kon worden als verkrijger te goeder trouw, omdat hij de banden niet had gekocht van een handelaar die dergelijke goederen in het kader van een bedrijf verhandelde. De rechtbank vond teruggave aan klager niet redelijk en maatschappelijk verantwoord en verklaarde het beklag ongegrond.
De Hoge Raad stelt in cassatie dat de rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of klager de banden anders dan om niet en te goeder trouw heeft verkregen, hetgeen beslissend is na het verstrijken van de driejaars termijn van art. 3:86 lid 3 BW Pro. De enkele omstandigheid dat de banden gestolen zijn, sluit niet uit dat klager eigenaar kan zijn geworden. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en verwijst de zaak terug voor een nieuwe beoordeling op basis van een juiste motivering.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onvoldoende motivering over de verkrijging te goeder trouw en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling.