ECLI:NL:PHR:2009:BG5977
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aftrek van voorarrest bij gelijktijdige tenuitvoerlegging van eerdere straf
Verdachte is door het Hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week wegens mishandeling en is tevens de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte verbleef 103 dagen in voorarrest. De verdediging voerde onder meer aan dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk was vanwege de ruime periode van mishandelingen en dat het bewijs niet voldeed om te bewijzen dat verdachte met zijn vuist had geslagen.
Het Hof verwierp het verweer over de onduidelijkheid van de tenlastelegging en achtte bewezen dat verdachte op 6 februari 2006 het slachtoffer meerdere malen met de vuist had geslagen, waarbij het slachtoffer pijn heeft ondervonden. De Hoge Raad stelde vast dat het bewijs niet volledig kon aantonen dat verdachte met de vuist had geslagen, maar verbeterde de bewezenverklaring zonder dit onderdeel, wat de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet aantastte.
De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever beoogt dat ondergane voorlopige hechtenis zoveel mogelijk in mindering wordt gebracht op opgelegde straffen, ook als de voorlopige hechtenis betrekking heeft op een ander feit dan waarvoor de straf wordt opgelegd. In dit geval dient de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering te worden gebracht op de tenuitvoer te leggen gevangenisstraf. Het bestreden arrest wordt vernietigd voor zover het niet bepaalt dat de voorarresttijd in aftrek wordt gebracht.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de tijd van voorarrest in mindering moet worden gebracht op de tenuitvoer te leggen straf bij gelijktijdige tenuitvoerlegging van een eerdere straf.