ECLI:NL:PHR:2009:BG6458
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 10 Successiewet op turbotestament en fictieve verkrijgingen
Belanghebbendes moeder overleed in 1990, waarna haar echtgenoot krachtens legaat vruchtgebruik verkreeg over hun huwelijksgemeenschap, met de verplichting de blote eigendom in te brengen in de nalatenschap. Na het overlijden van de vader in 2002 stelde belanghebbende dat haar verkrijging nihil was, maar de Belastingdienst legde successierecht op grond van artikel 10 Successiewet Pro (SW) op.
Rechtbank en Hof oordeelden dat artikel 10 SW Pro van toepassing is, omdat de medewerking van de langstlevende echtgenoot aan de overdracht van blote eigendom aan de kinderen onder voorbehoud van vruchtgebruik een rechtshandeling vormt. Dit leidt tot fictieve verkrijgingen die belast zijn met successierecht. Belanghebbende voerde aan dat het begrip rechtshandeling beperkt moet worden tot verbintenisscheppende overeenkomsten en dat dubbele heffing ontstaat zonder verrekening.
De Procureur-Generaal concludeert dat artikel 10 SW Pro breed moet worden uitgelegd en ook van toepassing is op turbotestamenten. Hoewel dubbele heffing kan optreden, voorziet de wet niet in verrekening van eerder geheven successierecht, en dat is geen reden om artikel 10 SW Pro niet toe te passen. De Inspecteur heeft een redelijke tegemoetkoming geboden voor het teveel geheven bedrag. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toepassing van artikel 10 Successiewet op turbotestamenten en verklaart het cassatieberoep ongegrond.