ECLI:NL:PHR:2009:BG8951
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak kindontvoering wegens niet-erkende buitenlandse gezagsbeslissing
Verdachte werd beschuldigd van het onttrekken van zijn minderjarige zoon aan het wettig gezag en het verbergen van het kind. Het Hof oordeelde dat de Canadese Court Order die het gezag aan een Canadees echtpaar toekende, niet voor erkenning in Nederland in aanmerking kwam omdat verdachte niet was opgeroepen en niet kon deelnemen aan de procedure, wat in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor.
Op basis hiervan sprak het Hof verdachte vrij van kindontvoering. Ook werd vastgesteld dat het echtpaar in de tenlastegelegde periode niet het wettig gezag had volgens Nederlands recht. Verdachte had het kind ondergebracht bij zijn ouders in Iran, waar het kind verbleef onder gezag volgens Iraans recht.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad stelde dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de Canadese beslissing niet erkend kon worden, aangezien verdachte bezwaar kon maken en de procedure in Canada een mogelijkheid tot verweer bood. Tevens had het Hof geen rekening gehouden met het Verdrag inzake burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (HKOV), waarbij Nederland en Canada partij zijn.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraak en verwees de zaak terug voor hernieuwde behandeling waarbij het Hof ook het HKOV-verdrag moet betrekken en beoordelen of het gezagsrecht aan het Canadees echtpaar toekwam op het moment van de vermeende onttrekking.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt vrijspraak en verwijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling met toepassing van het HKOV-verdrag.