ECLI:NL:PHR:2009:BG9917
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Partneralimentatie na tweede huwelijk en verlenging van alimentatieduur volgens artikelen 1:157 en 1:166 BW
Partijen trouwden in 1982, kregen een kind, en scheidden in 1989. In 2000 trouwden zij opnieuw, waarna de man in 2002 echtscheiding vroeg. De rechtbank bepaalde alimentatieverplichting gelijk aan duur tweede huwelijk. De vrouw verzocht verlenging van alimentatie op grond van art. 1:157 lid 6 jo Pro. lid 5 BW, stellende dat ook het eerste huwelijk meetelt volgens art. 1:166 BW Pro.
De rechtbank wees dit verzoek deels toe, het hof bevestigde dat de alimentatieduur beperkt is tot het tweede huwelijk, maar verlenging mogelijk is. De vrouw stelde cassatie in tegen het oordeel dat het eerste huwelijk niet meetelt en dat de overeenkomst in het echtscheidingsconvenant de alimentatieduur regelt.
De Hoge Raad overwoog dat art. 1:166 BW Pro bepaalt dat bij hertrouwen de duur van het eerste huwelijk meetelt voor alimentatie. Het hof heeft ten onrechte aangenomen dat partijen een overeenkomst sloten die de wettelijke regeling uitsloot. De vrouw was niet te laat met haar incidenteel beroep, en het hof hoefde geen nieuwe mondelinge behandeling te gelasten. De uitspraak van de rechtbank was onjuist toegepast, maar de alimentatieverplichting kan verlengd worden conform art. 1:157 lid 5 BW Pro.
De Hoge Raad verwierp het principaal beroep van de man en vernietigde de eindbeschikking van het hof vanwege gegrond verklaarde klachten in het incidenteel beroep van de vrouw.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de duur van het eerste huwelijk meetelt voor de alimentatieverplichting en vernietigt de eindbeschikking van het hof wegens onjuiste toepassing van het recht.